Gele sneeuw van Antonije Zalica
Gele sneeuw van Antonije Zalica.
'SOMMIGE NAMEN VAN MENSEN ZIJN VERANDERD. SOMMIGE VERZONNEN. DE NAMEN VAN DRANKEN EN SIGARETTEN ZIJN ALLEMAAL ECHT. ALLE NAMEN VAN STEDEN, PLAATSEN, STRATEN, RIVIEREN EN BERGEN ZIJN, HELAAS, AUTHENTIEK.'
WAT ER GAAT GEBEUREN IS ONMOGELIJK. HET MAAKT NIET UIT DAT ER GELE SNEEUW IS GEVALLEN, TROUWENS, DIE PROFEET UIT INDIA HEEFT GEZEGD DAT ER GEEN OORLOG KOMT.

De zuidenwind beukte recht op mijn borst, streek door mijn haren, ging door mijn ogen recht mijn gedachten binnen, waarin pas onderkende slaperigheid nagalmde, en die wind, die zuidenwind, kroop diep in mijn ziel, bracht daar de zwaarst mogelijke beklemming teweeg, dempte mijn herinneringen ergens in de absolute stilte van de grijze massa, vernietigde iedere gedachte aan rust en bracht mijn zenuwen van de wijs, zodat mijn handen verkrampten en zich steviger om de skistokken klemden, die op mijn knieën lagen. De gondel van de kabelbaan zweefde boven de toppen van de naaldbomen, dreef langzaam door de lucht alsof hij de hemel naderde, die grijsde met een gelige weerschijn van de zon, ergens ver achter de ruggen van de wolken, die dunner waren geworden; de gondel verhief zich alsof hij de bron van de wind zelf naderde.
Die rotwind zweepte vanaf de Middellandse Zee rechtstreeks naar de top van de ijzige berg, die bedekt was met gele sneeuw.
Wat zagen die vermoeide, onuitgeslapen ogen, wat brachten ze over naar de ziel en de hersenen, verzadigd van de Badel-brandy van gisteravond, van de Rubin-cognac, de afstompende slivovitsj, de gesuikerde warme wijn, het gekoelde Sarajevo-bier en de menthollikeur?
De hele kale berg, langs de pistes en tussen de bomen, was bedekt met sneeuw die geel was, niet helemaal zoals een dooier, maar onvervalst, behoorlijk geel; in de kommen en bij de top had de wind eilandjes verse, zuiver witte sneeuw aangedragen, terwijl die op de hoger gelegen gedeelten al was gesmolten door de vlagen warme wind, zodat de bruine, kerkhofachtig vochtige aarde werd onthuld. Waarom toch lijkt mijn Jahorina*, waar ik al ongeveer sinds ik heb leren lopen ga skiën, op de scenografie van een goedkope sciencefiction-film, als de verbeelding van een verre, onmenselijke planeet, waarom ziet hij eruit als het alleronrustigste beeld uit gastrische koortsdromen? Moeten we de radio geloven? Geloven dat een wolk op zijn eigen houtje fijn stof uit de Sahara heeft opgenomen en dat een of andere wind dat, net zo onverantwoordelijk, naar Gods hemel omhooggeblazen heeft? Geloven dat dat iets is dat eens in de honderd jaar zomaar vanzelf gebeurt, of in de verhalen over een voorteken van een groot ongeluk? Of moeten we tot het uiterste gaan en geloven dat het gaat om het einde van de wereld, het einde der tijden?
Het zweven was voorbij; de gondel was boven op de top aangekomen, draaide om de paal aan het einde en mijn ski's gleden over de gele sneeuw. De top was volkomen verlaten; mijn vriend was er niet, de tandeloze, altijd lachende boer die jarenlang op deze top had gewerkt; met een schop vulde hij altijd de sneeuw aan op de plaats waar je uit de gondel kwam, of hij hielp onhandige skiërs (vooral vrouwelijke) om de piste te bereiken. Op mooie dagen bleef ik vaak bij hem boven op de top, ik nam mijn vrienden uit Dubrovnik of Belgrado mee, dan leende hij ons een kijker, wij keken om ons heen en hij legde uit: 'Die witte spitse top daar, dat is de Durmitor in Montenegro; die keten daar is de Zelengora, en daar… die lage bergen, dat is al Servië, daarboven is de Vlašic, daarachter ligt de zee, en daar, beneden in de diepte, achter het Mladost-huis, dat is mijn dorp Praca.'
Die winter heb ik hem helemaal niet gezien; pas later, in de zomer, kwam ik hem tegen toen we in Bistrik in de rij stonden voor water, terwijl de salvo's van een luchtafweermitrailleur over onze hoofden sisten en met een knal insloegen, ergens in de buurt van het raadhuis, dat al was afgebrand. Hij sleepte net als ik met plastic jerrycans. Hij lachte toen hij me zag, hij was echt blij. Waarschijnlijk deed ik hem, net als hij mij, denken aan de Jahorina en het skiën. Hij gaf me een kort verslag: hij was uit Praca verdreven, hij was een vluchteling, de helft van zijn familie was gedood.
Mijn ski's gleden over de gele sneeuw. Het is waar: gele sneeuw is zowat het mooiste dat een skiër kan beleven (en dat, naar men zegt, misschien maar één keer in zijn leven), ze is niet te glad, niet traag, je hebt er geen aangelegde piste voor nodig, ze geeft je volledige bewegingsvrijheid en wendbaarheid, je wordt er niet moe van, ze biedt gewoon in haar geheimzinnige surrealiteit een waar gevoel van gewichtloosheid en onlichamelijkheid, alsof de gedachte zelf de ski's draagt, ze bevrijdt de geest van het lichaam, ze vereist geen vertraging of remmen, net als nu, nu ik in mijn mooiste nachtgezichten droom dat ik ski. Maar wat had ik daaraan, nu ik (net als in mijn onbewuste zwevingen) helemaal alleen langs de hellingen van de Jahorina gleed; uit Sarajevo kwam na de barricades van maart niemand meer, behalve ons kleine groepje, dat met de koppigheid van een zelfmoordenaar nog steeds ieder weekend ging skiën. Mijn vrienden waren die morgen in ons weekendhuisje gebleven, uitgeteld door een kater en de depressie die ons allemaal (en niet alleen vanwege de gele sneeuw) bezwaarde, en de bergbewoners hadden sowieso wel wat beters te doen. De enige mens die ik zag was een jongeman uit Pale, die werkte bij het vertrekpunt van de kabelbaan; het kwam natuurlijk niet in zijn hoofd op om mijn skipas te controleren, hij liet zelfs de cola en het bier, die hij vroeger voor duur geld verkocht aan duizenden en duizenden kakelbonte, hijgende skiërs, zomaar staan op het hek dat de toegang tot het terrein van de kabelbaan markeerde. Ik zag hem heen en weer lopen, zwaaiend met een fles Zvecevo-brandy, die hij bij de hals tussen zijn vingers geklemd hield, daarna sloot hij zich op in zijn huisje, nog later wankelde hij weg en liet de kabelbaan haar rondjes zelf draaien. 's Middags, toen het al donker werd, zag ik hem met een pistool in de hand, in een bosje naast de garage voor de enorme rupsvoertuigen waarmee de pistes worden onderhouden, zogenaamd oefenen met mikken. De pistoolschoten weerkaatsten tussen de lege bergen. Ze vermenigvuldigden zich en galmden na.
In de bus zaten alleen wij. Met zijn vieren. Op de terugweg werden we bij Lapišnica door niemand aangehouden en gefouilleerd, zoals toen we kwamen. We lieten de groepen mannen, bewapend met kalasjnikovs en halfautomatische geweren, in uniformen van het Joegoslavische Nationale Leger, van de reservemilitie of helemaal zonder uniform, achter ons, in de schaduw en de duisternis van de bergen, en voor ons opende zich de stad, die vol lichtjes oplichtte, prachtig en goddelijk als je haar zo naderde. Ook later, toen de mensen ons verwonderd aankeken terwijl we met onze ski's in de tram stapten, lachten we, ervan overtuigd dat we ondanks alles ook het volgende weekend zouden gaan skiën; trouwens, in de krant stond ook dat een beroemde profeet uit India had gezegd dat er geen oorlog zou komen.