Anna Tilroe Lezing 1992
Voorwoord
In 1992 is AIDA de campagne gestart om steun te bieden aan gevluchte kunstenaars. De opmaat voor deze campagne was een op 13 april 1992 door AIDA georganiseerd forum in kunstenaarssocieteit ‘Arti et Amicitiae’. De belangrijke thema’s voor het debat waren : ‘Kunst in exil’, ‘ Vervolging van Kunst’ en ‘ Kunst in Vrijheid’ .
De kunsthistorica Anna Tilroe hield een lezing.
"Als ik het woord cultuur hoor, trek ik mijn revolver."
Toen ik voor het eerst deze uitspraak las van Herr Goering, betrapte ik mij op gevoelens van verbijstering en trots tegelijk. Verbijstering dat de haat van een bepaald, nog steeds overvloedig voorkomend type machthebbers voor de moderne kunsten zò diep kan zijn dat ze deze het liefste zouden willen ausradieren. Trots dat de kunsten het vermogen hebben bij hen die haat op te roepen. Dat weerspreekt grondig en definitief alle opvattingen over de nutteloosheid, de luxe, het narcisme en het elitarisme van de kunst van deze eeuw. Het bewijst wat zij die wonen in een democratische samenleving, wij dus, geneigd zijn te vergeten namelijk dat kunst het potentieel heeft gevaarlijk te zijn, iets wat door haar vijanden altijd terstond en bijna instinctief lijkt te worden begrepen. Als we het hebben over "kunst als internationale taal", dan denk ik dat het internationale in dat potentieel ligt.
Wat is het dat kunst zo gevaarlijk kan maken? Wat, om een wat nader voorbeeld te geven, kan het toch geweest zijn in de vroege abstracte en expressionistische kunst dat de nazi’s tot een ware beeldenstorm heeft verleid (waarmee ze impliciet het belang ervan erkenden)? Er waren toch wel andere zaken meer geschikt om het Volk te paaien dan het entartet verklaren van die in maatschappelijk opzicht marginaal opererende kunstwerken? Mijn overtuiging is dat de woede van machthebbers waar ook ter wereld gewekt wordt door het kritische karakter van kunst. Een kritische attitude is veel ongrijpbaarder, veel moeilijker te bestrijden dan een opstandeling met een geweer. Een geweer valt met een geweer te bestrijden, daar is niet bijster veel meer bij nodig. Maar hoe bestrijd je een kritische mentaliteit?
Nu rijst natuurlijk een zeer belangrijke, en in de moderne kunsten ook heel ingewikkelde vraag, namelijk wàt wordt in de kunst gekritiseerd? Die vraag is gecompliceerd omdat ze nauw verbonden is met een zo mogelijk nog ingewikkelder vraag, de vraag naar de kwaliteit van een kunstwerk. Onze opvattingen van kwaliteit worden fundamenteel bepaald door wat ik als kritikus een gebod waag te noemen en dat is de vooropgezette stelling dat kunst haar kritiek niet al te expliciet mag stellen. Een kunstwerk dat zonder omwegen zegt dat Mitterand een megalomaan, Bush een a-sociaal en koningin Beatrix een kostbaar decorstuk is, vinden wij een slecht kunstwerk. Niet omdat wij de inhoud verwerpen (wie van u zal het daar niet mee eens zijn), maar juist omdat die inhoud bevestigt wat wij zelf ook al lang gedacht hebben. Goede kunst,, althans wat wij hier in het westen daaronder verstaan, bevestigt nooit bestaande meningen en gevoelens, althans niet zo maar. Er moet iets meer zijn, iets wat ontregelt, zowel vijand als vriend. Iets wat ongrijpbaar is, niet valt vast te leggen, en wat precies daardoor het kunstwerk "open" houdt. Open voor meerdere interpretaties. Dat iets, die "omweg" zou je ook kunnen zeggen, die omweg die wegvoert van het duidelijk zeggen waar het op staat om des te effectiever te kunnen zijn, schuilt in de formele middelen van de kunst, de middelen om een beeld te maken die ik kortweg zal aanduiden als de vorm. Het is de vorm bij de abstracte kunstwerken, de vorm bij de expressionistische schilderijen die de nazi’s, en niet alleen hen en niet alleen toen, tot razernij heeft gebracht. Wat anders kan dat weinig subtiele mensentype gestoord hebben aan de rode, blauwe en witte vlakken van Mondriaan?
De vraag naar wat door de kunst wordt gekritiseerd, de ethiek anders gezegd, is zo bezien dus onafscheidelijk van de vraag hoe wordt gekritiseerd, de esthetiek.
Ik heb het "hoe", de wijze waarop iets wordt gemaakt in de kunst, "de noodzakelijk omweg" genoemd. Het is het compliceren en daarmee verdiepen en nuanceren van de verhouding die de kunstenaar heeft met de werkelijkheid, via zijn specifieke formele middelen. In het gebruik dat James Joyce heeft gemaakt van de taal en Jackson Pollock van de verf en het lichaam zit een kritiek verborgen op zowel de wijzen waarop taal en verf voor hen is gebruikt, als op de cultuur waarin deze hebben gefunctioneerd. Met hun kunstwerken was plotseling wat vanzelfsprekend was niet vanzelfsprekend meer, moesten wijzen van denken en voelen herzien worden. Er was zand in de machine gestrooid.
Zomaar, door een enkeling, een enkeling die ervoor gekozen heeft een bepaalde problematiek nu eens van een heel andere manier te benaderen dan de gebruikelijke, misschien niet eens omdat hij of zij dat nu zo graag wilde, maar veeleer omdat hij niet anders kon.
Een enkeling. Wie waar dan ook die positie inneemt, is onderhevig aan de enorme druk van het massale dat in alle sociale stelsels besloten ligt. De druk en ook de verlokking. Want wie zal ontkennen dat er ook veel verlokkelijks zit in de bescherming die het massale en het daarbij behorend wij-gevoel te bieden hebben. Wie de positie van enkeling kiest, en dat kan niet anders dan vanuit een kritische mentaliteit, die verliest niet alleen die sociale bescherming, hij is a priori vogelvrij. Een potentiële vluchteling.
Een kunstenaar die zich gedwongen ziet zijn land en daarmee ook zijn culturele achtergrond te ontvluchten is dus een dubbele vluchteling. Hij verliest zowel zijn sociale als zijn culturele context. Een cultuur als de onze die ondanks alles nog steeds draait rondom het begrip individu, zal de middelen moeten vrijmaken om zijn werk op gepaste wijze te beoordelen, dat wil zeggen niet vanuit een bureaucratische mentaliteit, maar in overeenstemming met een kritische, wat betekent: met het diepste respect voor dat wat wij niet kennen.
Anna Tilroe, april 1992