Dempsey biografie en songteksten
Dempsey
Biografie
De band Dempsey bestaat al sinds het jaar 1981. Dempsey was niet alleen de naam van een Amerikaanse boxkampioen van voor de tweede wereldoorlog, maar ook de bijnaam van Marinus van der Lubbe, de bekende vooroorlogse Leidse activist, omdat hij zich tegenover de politie zo goed kon weren, en vanwege de Rijksdag. Het geeft iets aan van de interesse van de band voor sociale onderwerpen en muziek die begrijpbaar en zingbaar is voor iedereen. De groep heeft door zijn geschiedenis heen vele samenstellingen gekend, terwijl de kern altijd bestond uit Maarten Witkam en Michael van Hoogenhuyze. Ferry Rigault trad diverse keren op met Dempsey en componeerde ook een aantal nummers voor de groep. Vanaf het uitkomen van het album is Ferry Rigault defintief tot de kern van Dempsey toegetreden, wat er ook voor zal zorgen dat het volgende album een ander karakter zal hebben, vergeleken met Door een Toeval. Bovendien worden naast de teksten van de Rotterdamse dichter van Iependaal nu ook eigen teksten en teksten van andere dichters gebruikt in de nieuwe nummers. Gedetailleerde informatie vindt u onder de persoonlijke biografieën. Klik daarvoor op de namen van de bandleden.
HANS HABERNICHTS
Tekst: Willem van Iependaal
Muziek: Maarten Witkam
Hans Habernichts had er geen jast aan z’n bast,
Geen brood op de plank en geen geld meer in kas.
Hij liep door de stad op een schoen en een slof:
Het was in lieb Vaterland hopeloos sof.
Toen sprak hem een schilder uit Oosterijk aan,
Die noemde Hans Habernichts "edelgermaan",
Een ras om te heersen. Ein Tuchtiger Mensch
Die recht had op praal, maar…de schatkist was lens
"Wir brauchen ein Fuhrer!" de verver voer voort.
Hans Habernichts knikte gedwee, ging akkoord.
Hij kwam met veel pathos: "Mein Fuhrer befehl!
Ich pien, wenn het sein muss, Dein Held of Kamel!"
De Hans werd een Herr: Hij kreeg vetlaarzen aan,
Een helm op het hooofd en een roversbestaan.
Hij trok door Europa naar Oost en naar West,
Schiep lijken en puinhoop naast honger en pest.
En overal waar je Hans Habernichts zag
Daar stonk het en vloekte de hakenkruisvlag,
Daar klapten de hakken en hoonde brutaal
Der boeven beloning: Het Ehremetal…
Stofwolk
Traditioneel Siciliaans bedelaarsrslied
Nederlandse tekst: Dempsey
Wanneer ik klaar ben met me af te beulen,
Dan plof ik neer voor de deur van mijn ouwe krot.
Scheurt de Mercedes van de baas langs me heen
In een wolk van stof die me bijna verstikt.
En voor de armen slechts brood met uien,
En voor de rijken wat ze maar willen.
Wanneer ik klaar ben met me af te beulen,
Dan staat m’n brood met uien al klaar.
Scheurt weer die Mercedes van de baas langs me heen
In een wolk van stof die me bijna verstikt.
En de aarde die toch zoveel goeds geeft,
Ik moet haar bewerken en de rijke plukt de vruchten er van.
Wanneer ik klaar ben met me af te beulen,
Dan plof ik neer voor de deur van mijn krot.
Maar scheurt weer die Mercedes van de baas langs me heen
In een wolk van stof die me bijna verstikt.
Laat De Wolken De Mensen Niet Doden
Originele tekst van Nazim Hikmet
Vertaling: J.Iven en Perihan Eydemir
Muziek: Maarten Witkam
Laat de wolken de mensen niet doden!
De moeders maken de kinderen groot,
De moeders gaan hen als lichten voor,
Jullie komen ook uit de moederschoot,
Spaar dus alsjeblieft de moeders, heren!
Laat de wolken de mensen niet doden!
Zie een jongen van zes gillend lopen,
Zijn vlieger zweeft over hoge bomen,
Eens hebben jullie zo als hij gelopen,
Spaar dus alsjeblieft de kinderen, heren!
Laat de wolken de mensen niet doden!
De jonge bruiden schikken hun kleren,
En wachten tot hij in de spiegel verschijnt,
Zo is er ooit ook eens op jullie gewacht,
Spaar dus alsjeblieft de bruiden, heren!
Laat de wolken de mensen niet doden!
Als je oud bent is het goed om te leren,
Je slechts de mooie dingen te herinneren,
Maar ook op jullie wacht de oude dag,
Spaar dus alsjeblieft de ouderen, heren!
Laat de wolken de mensen niet doden!
Laat de wolken de mensen niet doden!
Vraagjes Over God
Tekst en muziek: Attahualpa Yupanqui
Vertaling: Frans Montens
Op een dag ben ik gaan vragen: opa, waar woont toch die God?
Ja op een dag ben ik gaan vragen: opa, waar woont toch die God?
M’n opa keek toen heel droevig en heeft me niks teruggezegd
M’n opa is doodgegaan op de velden, heeft niet gebeden of gebiecht
Indianen hebben hem begraven, rietfluit en grote trom
Indianen hebben hem begraven, rietfluit en grote trom
Op een dag ben ik gaan vragen: vader wat weet je van God?
Ja, op een dag ben ik gaan vragen: vader wat weet je van God?
M’n vader werd toen heel ernstig en heeft me niks terug gezegd
M’n vader is doodgegaan in de mijnen, geen dokter heeft voor hem gezorgd
Mijnwerkersbloed geeft kleuren die blinken in ‘t goud van de baas
Mijnwerkersbloed geeft kleuren die blinken in ‘t goud van de baas
M’n grote broer leeft in de wouden en kent er geen enkele bloem
M’n grote broer leeft in de wouden en kent er geen enkele bloem
Gezweet, malaria, grote slangen, zo is het leven van wie hout hakt
En kom nooit bij hem om te vragen of hij weet waar woont toch die God
Want voor zijn huisdeur heeft hij nooit zo’n hoog persoon zien staan
Ja, voor zijn huisdeur heeft hij nooit zo’n hoog persoon zien staan
Ik zing maar langs ’s Heren wegen en zit ik weer ‘ns in ‘t gevang
Ja ik zing maar langs ’s Heren wegen en zit ik weer ‘ns in ‘t gevang
Dan hoor ik stemmen van het volk en dat zingt veel beter dan ik
Maar er is een ding hier op aarde nog veel belangrijker dan God
En wel dat niemand bloed moet spugen en een ander d ‘r beter van wordt
En wel dat niemand bloed moet spugen en een ander d’r beter van wordt
Oh God, die woont toch in de hemel, wie weet het, wie weet het niet
Maar vast en zeker zit hij nu te eten aan tafel bij zo’n hoge piet
Maar vast en zeker zit hij nu te eten aan tafel bij zo’n grote piet.
Maar vast en zeker zit hij nu te eten aan tafel bij zo’n hoge piet
Maar vast en zeker zit hij nu te eten aan tafel bij zo’n grote piet.
De Reiziger
Tekst: Ricardo Cuadro (Chili),
Vertaling: Margo Engelsman
Muziek: Maarten Witkam
En ik dwaal door de stations
Tegen 11 uur in de avond,
De stations waar geen mens meer op me wacht
En ‘t regent wanhopig,
Twee witharige oudjes
Kijken naar me in gedachten, in gedachten.
Die gedachten kaatsen terug,
Op de elektriciteit,
Op de elektriciteit van de lucht.
En ik stap op de trein,
De eerste die binnenkomt
En m’n brood eet ik temidden van onbekenden.
En mijn kaartje geldt altijd,
Met mijn schoenen voor de rails,???
Lange tekens, de tekens van herkenning.
Aan de kant van de nacht
Slaap ik haastig door het land,
Dat voorbijtrekt langs de rails,
langs de rails.