Toespraak opening expositie Dragan Despotovic

Dames en heren, vrienden en vriendinnen,



Toen Dragan mij opbelde met de vraag om deze tentoonstelling vandaag te openen, verzocht hij mij vriendelijk en met klem om over zijn kunst en niet anders dan zijn kunst te praten. Dat doe ik graag, maar dan moet ik u toch even eerst een paar andere dingen vertellen.



Mijn eerste contact met Dragan bestond uit een telefoontje, een jaar of vijf geleden.

Ik vertelde thuis dat zich bij AIDA een nieuwe kunstenaar had aangemeld.

Deze keer onthielden mijn vrouw en dochters de buitenlandse naam zonder enige moeite: Dragan Despotovic. Dragan de despoot, de alleenheerser!

Zijn naam werd met enige huiver en veel ontzag uitgesproken.

Kortom, ik was op mijn hoede, toen hij de week daarop op kantoor langskwam.

Ik deed open en een boomlange man stelde zich voor.
Stond hier de GVR van Roald Dahl op de stoep?

Zijn vriendelijke blik deed alle denkbare risico’s als sneeuw voor de zon verdwijnen.

In plaats van opdoemend gevaar riep hij alleen maar nostalgische gevoelens op van lang geleden, begin jaren zeventig
In die periode reisden duizenden Nederlanders voor vakantie af naar de Balkan.
Dichtbij en toch zo volkomen anders, met zijn warme zomers vol paradijselijke ervaringen en broeierige nachten.
Vakantiegangers kwamen terug met verhalen over de geur van cevapcici, die merkwaardige drolletjes schapengehakt, opgediend met rauwe uien, tomaten en brood.
Zij bezongen het land, waar van achter elk luikje een fles slivovic tevoorschijn kwam met van die piepkleine glaasjes.
Zij lieten hun vakantiekiekjes zien van hun volledig verzorgde tripjes, en vertelden mij hoe er dan tegen koffietijd werd gestopt bij een of ander eettentje, waar de chauffeur dan met zijn dochter achter de bar verdween en zij daar de zelf meegebrachte groenten omtoverden tot een overheerlijke salade, opgediend met de gegrilde, nog diezelfde nacht in het meer gevangen zalmforellen.
Joegoslavië – waar niets leek gemaakt, maar alles als vanzelf glansde: de natuur, de bergen, de beken, de dalen, de zee, de eilanden, de bomen, de bossen.

Wat verschilden deze vakantie ervaringen toch hemelsbreed van de indrukken die mij tot dan toe uit de literatuur waren bijgebleven.
Wat lazen wij Nederlanders die spaarzame verhalen die zich in Joegoslavië afspeelden toch graag, hongerig als we toen al waren naar onbekende oorden, naar zonovergoten plaatsen die ons voor een klein moment de natte regen van ons koude kikkerlandje deden vergeten.

Zoals de boeken van A. den Doolaard, met name de "De Bruiloft der zeven zigeuners" uit 1939. Het boek gaat over de hartstochtelijke liefde van Branko Markovic voor zijn Doesjka. Branko wordt verscheurd door de verhaalliederen van zeven zigeuners. Als ware intriganten bezingen zij de liefde met alle meisjes uit zijn verleden.
Zorka. Nada. Vera. Ljubitsa. Mila. Marja. En Jelka. Het wordt hem te veel en Branko breekt met Doesjka. Branko en Doesjka , dè Romeo en Julia, niet van Shakespeare, maar van de Balkan.

Hoe gretig lazen wij de boeken van Karl May. Naast de boeken over Winnitou en Old Shatterhand legde Karl May de adembenemende tochten vast van Hadji Halèf Omar en Kara Ben Nemsi.
Zoals onze helden in het boek "In de rotskloven van de Balkan" een huiveringwekkende tocht afleggen door wat het gevaarlijkste deel van Europa werd genoemd.
Een boek over hun ontmoeting met een volk, dat leeft tussen vrees en bijgeloof. Waar mannen alleen eten en drinken en hun roes uitslapen, terwijl hun huis op instorten staat.
Hun reis door een land van lomperiken, smokkelaars en rovers, van schurken en messentrekkers, van tiranniserende en omkoopbare burgemeesters.

Laat ik terzake komen, voordat ik afdwaal en niet meer van ophouden weet. Terug naar waar ik begon, de eerste ontmoeting met Dragan Despotovic.

Dragan stelde zich voor, min of meer in dezelfde bewoordingen, als u op de uitnodiging hebt kunnen lezen: geboren in 1964, afgestudeerd in 1989, enzovoort.
Met gepaste trots vertelde hij dat hij kunstenaar is, niet meer en niet minder.
En dat hij – nu hij in Nederland is – niet anders van plan is.
Tot slot vraagt hij bescheiden en beleefd of wij hem daarbij een handje kunnen helpen.

Laat ik op mijn beurt ook bescheiden zijn.
Wie ben ik om u wat op de mouw te spelden over kunst.
Over kunst valt net zoveel bij elkaar te fantaseren als ik zojuist voor u over Joegoslavië deed. Maar vandaag is dat niet nodig. U kunt er zelf naar kijken
Vandaag kunt u zèlf met eigen ogen de kunst van Dragan op u in laten werken.
Misschien kan ik u een eindje op weg te helpen.

Laat ik u in alle eerlijkheid bekennen, dat ik Dragan een geweldige kunstenaar vindt.
Laat dat om te beginnen duidelijk zijn.

Gelijktijdig moet ik u bekennen, dat deze tentoonstelling mij licht in verwarring brengt.
Want wat zie ik?
Ik zie vogeltjes en eenden her en der gedrapeerd.
Ik zie in even onbepaalde ruimte mensen wat muziek maken met elkaar, een zittende vrouw met ongetwijfeld diepe gedachten.

Ik vraag mij af waar de kwajongensachtige streken van Dragan zijn gebleven.
De kleuren en het materiaalgebruik van deze beelden zijn teer en transparant.
Dat is even schrikken omdat ik Dragan ken van zijn krachtige houtobjecten waar een bij elkaar geraapt zooitje hout van de vuilnis omgesmeed wordt tot robuuste grachtenpanden, die overtuigend de tand des tijds kunnen doorstaan!
Of de woningen van Dragan nu klein of groot zijn, het maakt niet uit, de geesten, inclusief de mijne lijken er graag rond te dolen.

Laat deze tentoonstelling een andere kant zien?
Weet ik zelf niet zo goed mijn plaats te bepalen?
Maken de gebruikte technieken mij onzeker?
Maar dan gebeurt het toch. Dan gebeurt er wat goede kunst moet doen: het moet iets doen met mij, het moet mij raken.
Ik zie bijvoorbeeld een paar prachtige werkjes met fietsen, waar voor mij alles op zijn plek wordt gezet.
In één kunstwerk zie ik fietsen tegen een bankje staan, rechtsboven de contouren van wat een fontein of een kerkje zou kunnen zijn. Een paar rode lijnen en dwars over het beeld brutaal een veer, die – hoe licht hij ook is – alles heeft vastgezet, alles op zijn plaats.
Op een ander kunstwerk zie ik een partijtje fietsen, die achteloos tegen een denkbare muur zijn gekwakt. Iets links van het midden wordt mijn blik getrokken door een paar lijnen. Het zou een brug kunnen zijn. Maar de lijnen zijn vooral aangebracht om mij naar die ene fiets te lokken. Die blauwe, de fiets met het bakkie, waar het getal 2005 op staat. En wat letters of woorden.
Met die blauwe fiets, een fiets met wat onleesbare krabbels, ben ik vertrokken, op reis naar de zonovergoten plaatsen van mijn ziel
Via huiveringwekkende wegen fiets ik mijn met elkaar vechtende gevoelens tegemoet, op zoek naar mijn eigen Julia.

Ik ben vertrokken. Wie weet kom ik u straks tegen bij dat ene eettentje met de geur van onvergetelijke gerechten. Ik wens u een goede reis.

Amsterdam, 15 februari 2008 Herman Divendal