Openingstoespraak


Openingstoespraak bij Bagdad in Den Haag
3 juni 2010
Door Baldin Ahmad

17 kunstenaars uit Bagdad zijn bezig met hun kunst in een stad die nog op zoek is naar vrijheid en vrede. Het zijn kunstenars die de kunst hebben omarmd als enige manier om vrij te kunnen zijn. Zij hebben de kunst gekozen om op een andere wijze het geweld en de oorlog aan te klagen. Zij zoeken de schoonheid op als een belofte van hoop voor de toekomst. Schoonheid dus tegen de oorlog, net als Dostoievski pleegde te zeggen: “schoonheid zal en kan de wereld redden”.

Een kunstenaar die kunst maakt heeft een bepaalde sfeer en een bepaalde omstandigheid nodig om zich te kunnen uiten. Deze kunstenaars uit Bagdad moeten daarentegen in zeer onzekere en dramatische omstandigheden werken. In hun situatie is er sprake van geen enkele stimulans. Men dient voor deze kunstenaars veel respect te hebben omdat hun inzet voor de kunst vanuit een grote positiviteit ontstaat en waarschijnlijk hun enige reden van bestaan vormt.

Tijdens mijn recente reis in Irak heb ik verschillende kunstenaars en verschillende kunstacademies bezocht. Deze kunstenaars beschikken over weinig tot niets om te kunnen schilderen of om beelden te maken. Eén van de kunstenaars vertelde mij dat hij kleuren maakte met aarde en lijm, niet vanwege het experiment met andere materialen, maar omdat er geen verf beschikbaar is. In één van de kunstacademies waar ik op bezoek was, ben ik bij een aantal studenten wezen kijken. De omstandigheden zijn ronduit vreselijk. Ik ben een kamer van vier bij vijf terecht gekomen, zonder licht en zonder verwarming. De ramen waren allemaal kapot geslagen, waarschijnlijk door bominslagen. Daar was een jong meisje van een jaar of zeventien werkzaam. Zij was aan het schilderen in het lichtschijnsel van een klein lampje. De ruimte stonk vreselijk naar petroleum want zij trachtte wat warmte te krijgen via een oud petroleum verwarmingsapparaat.

Al deze kunstenaars, ook de zeventien kunstenaars die hier vandaag exposeren zijn authentieke kunstenaars, omdat zij zich, ondanks de moeilijke omstandigheden in Irak, nog steeds inzetten via hun kunst om hun land, dat door dictatuur vernietigd is, op te bouwen. Picasso zei: “Niet wat de kunstenaar doet telt, maar wat de kunstenaar is”. Het is inderdaad niet belangrijk om wat voor soort kunst het gaat, of van welk niveau het werk is. Wat wel telt is de opstelling van deze kunstenaars en hun moed in de dramatische situatie waarin Irak zich op dit moment bevindt zich te blijven uitdrukken in kunst.