John Leefmans
John Leefmans (Suriname,1933) verliet op 15-jarige leeftijd Suriname, maakte carrière als diplomaat en woont pas sinds 1995 weer definitief in Nederland.
Hij is secretaris van het Suriname Forum, voorzitter van de stichting Surinaams Muziek Collectief en lid van de redactieraad van OSO, tijdschrift van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek.
Hij was met onder andere Pim de la Parra, Rudi Kross en Ronald Venetiaan redacteur van/publicist in het Surinaamse tijdschrift Mamjo, en mede-oprichter en redacteur van het toentertijd in Leiden geruchtmakende (anti-)literaire blad Kaf t-t kaf. Bij Radio Nederland had hij eind jaren vijftig een wekelijkse rubriek Fa un tan.
In 1981 verscheen zijn eerste dichtbundel Intro onder het pseudoniem Jo Löffel. Retro, nu onder eigen naam, beschouwt hij als zijn tweede bundel. Hij nam in 2000 deel aan Poetry International en vertaalde poëzie van onder meer Jules Deelder in het Sranan.
APOLOGIE
Ik heb een diepe stem en kan slecht zingen
Een fuga zing ik fuga in as
(in as en drek mijn hoofd gedompeld)
mijn kopstem zingt uit mijn navelstreng
ik ben er een ik ben zovelen
en niet voor kinderen van een vader
maar kinderen van een vrouw
ja dat willen wij
ja dat willen wij
(etc.)
in 1984 was dit gezang verstomd
laat ons vloeken laat ons roepen
smelt de bijenwas uit de oren
knip de haren uit de mond
ik strooi het hete witte zand op de tongen
de stenen zullen zich omkeren
en naar elkaar toe hink-stapsprongs-
gewijs
ja dat willen wij
ja dat willen wij
en spreken met barstende stem
totdat een koude wind het zand verwaait.
Windekuurder snijd het eelt in dikke plakken af
hoe kom ik er aan
vraag dat maar aan de moederwind
vraag dat maar aan de data
vraag dat maar aan het brood
en aan de man de vrouw en het kind.
windekuurder druppel met wonderolie
en pluk de doorns als klaverenvijf
in klein slem tussen het grauwe mos
het hoornen gras en pluk de plug
vastgeroest op de bloot
convexconcaven hassebassebast
met inflatore neiging
en laat het kind van de wind eruit.
windekuur blaas gure winddelen
de haren uit de paardebloemenkop
laat is het al ze zijn al wit
bekort wat geel en rood is
en het fascistisch rollend pepermunt.
windekuur
ik pleit me niet vrij
van zagende blijdenvragen
maar strijk de zeilen
haal in het tuig
en los het schip vannacht.
(uit: Retro. Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2001)
DE HELD, HINKEND
Het goot loodgrijs op de Art Deco-wijk,
en luid liet de donderaar zich horen,
maar ik liep op rubberzolen en zong,
zoals de eeuwen door is gezongen
(eindigend met: 'Tjong, Chinese oom Tjong…')
onder geleende paraplu en hoed,
in een kersvers harnas, vormvast, met das,
wel 100 ossen waard, als goudbrokaat
('Hij hield van het lied, en hij zong, en hij zong…')
Hij belde aan bij de verheven burcht,
waar Venus' moer door een schietgat loerde,
een listige schutter de val opendeed.
Nog hief hij het schild,-wie had ooit gedacht
dat lage pijlen hem raken konden,
mij zelfs dodelijk zouden verwonden,
O mijn linkse, dwaze, wulpse, moeder,
dus toch onontkoombaar dit sterflijk lot?
Gebroken trekt het wrak zijn lijflijk spoor,
Clio wankelt, Beethoven onverhoord,
terug naar het verlaten schepenkamp,
om na dagen, eeuwen, kwijnen en kramp,
voor altijd
('Tjoeng Nie, Foeng Nie, zingend als een zoembie…')
Mijn onderwereld kent alleen de droogte,
De koude koorts, brandkoren, honingdauw.
De regen is puim en stof, en hagelt
uit koperen lucht op een grond van staal,
en nooit kunnen jeuk en schurft genezen.
Ik heb de mond vol gouden vullingen.
De veerman vangt per etmaal 20 peuken,
maar wil mij toch niet over zetten:
het lijk voor elkeen, dagelijks, te kijk.
Dus volgt het spook het eigen spoor terug,
een periodieke pelgrimage.
Voor Beethoven doof, voor Clio een blinde,
maar niet voor het plein vol stijl en deco.
Kijkt op naar de nu verlaten transen.
Merkt dat de boompjes groot zijn geworden.
Knoopt de eigen jas tot boven toe dicht,
en hinkt, als altijd, op één gedachte.
(uit: Retro. Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2001)
