Write Now in Prishtina
Write Now in Prishtina
- een reisverslag -
Chris Keulemans
dinsdag 29 februari
Soepel meerijden met de witte OCSE-bus van Skopje naar Prishtina, in het dalende licht van een stralende lentedag; pas als de zon weg is wordt het snel kouder. In het busje: drie Hollanders: twee jonge vrijwilligers (een theologe en een kiezersregistratiesysteemcontroleur) en Margo, jurist en huisgenoot van Adrienne van Heteren. Wat me onmiskenbaar stoort: de onzin waar ze het over hebben terwijl we toch over historische grond rijden. Terwijl we de grens oversteken, de douanehokjes waarlangs vorig jaar de huilende vrouwen in huifkarren voorbijreden, hebben zij het over cup-a-noodles, die zo lekker is maar toch wel erg veel ruimte in je koffer inneemt.
De weg wordt slechter, vrachtwagens komen langzaam vooruit. Margo kent twee Duitse douaniers: van elke vrachtwagen zou aan de grens 30 DM naar de UCK gaan, en overigens betalen restaurants en nachtclubs in de stad 30.000 DM per jaar. Terwijl de UCK formeel niet eens meer bestaat.
De laatste berg over en dan ligt Prishtina aan onze voeten. Veel lichtjes, de electriciteit werkt dus, uitgespreid over het dal. Mooi oogt het allemaal niet meteen (schots en scheef overal de auto's, een scala van socialistische architectuur en door de decennia heen. Maar wel vertrouwd, al meteen, de rotzooi van de Balkan.
Eqrem Basha woont in een hoge flat, vrij veilig. De ramen kijken uit op de kazerne, een weg snijdt voorlangs, de afgebrande fabriek.
Het gesprek in het Frans, niet hartstochtelijk, soms ook gebrekkig. Maar morgen ga ik met hem naar Pejë. Ik krijg de slaapkamer van zijn twee dochters. Rozafa ontmoette ik vorig jaar in Skopje, een dag na haar vlucht uit Prishtina tijdens de bombardementen. Ze vertelde me toen over haar ouders, over haar vader die weigerde te vertrekken en door bleef schrijven op de hoogste verdieping van een flatgebouw waar toen nog veel Servische politie woonde. Nu poets ik mijn tanden in de kleine badkamer waar Eqrem en zijn vrouw Flutra schuilden wanneer de bommen insloegen op de kazerne aan de overkant van de straat.
woensdag 1 februari
Terwijl de helikopter van de Engelse KFOR laag overvliegt en deze flatwijk met een schijnwerper controleert, zit ik in de slaapkamer van Rozafa en Doruntina (18, doet eindexamen, is voorzitter van de PostPessimisten) rustig met de laptop op schoot.
De weg naar Peja was tamelijk vlak. Een paar gebombardeerde bruggen, bewaakt door KFOR, die hier echt toeziet alsof de Albanezen stoute jongens zijn. Veel uitgebrande huizen langs de weg, soms nog Servische graffiti. Maar het verschil met Bosnië is dat hier een half jaar na de oorlog al overal weer daken op zitten. Dit is het land met de meeste nieuwe rode daken per hoofd van de bevolking. En als het dak klaar is gaat de rode vlag uit, met de tweekoppige adelaar. Ik merk dat ik nu al een paar jaar zo gewoon ben aan deze aanblik: dit heuvelachtige, hardvochtige landschap met bergen op de achtergrond en dicht langs het autoraam huizen met nieuwe daken, lege ramen, een rokende schoorsteen en een waslijn. Hier in Drenica, waar de Serviërs verschrikkelijk hebben huisgehouden zeggen de oude mannen: waar de schoorsteen nog staat, zal het leven verdergaan.
Eqrem woont om de hoek bij het Merelveld. Daar ligt het dan. De tafelbergen in de verte, en verder eigenlijk niets. Ja, een vlakte waarop je inderdaad een veldslag zou kunnen houden. Even verderop de reusachtige, uitgestrekte kazerne van het Servische leger, platgebombardeerd. En later, even buiten Pejë, ook een orthodox klooster, waar de Italianen je fouilleren ('massage,' zegt Agim Kulla laconiek, terwijl ik tegelijk zie hoe zwaar bewapend die jonge soldaten eigenlijk zijn.)
Maar verder geen Servische aanwezigheid meer. En ik voer in mijn hoofd een gesprek met Garton Ash. Enerzijds wil ik niet aan etnisch homogene staten, voor hem de enige optie in de toekomst, anderzijds voel ik me onmiddellijk veilig temidden van de underdogs die het toch gered hebben, net als in Bosnië.
Veilig misschien toch ook door de waakhonden van KFOR: op kruispunten, aan de ingang van de stad, in het centrum, zoals in Pejë, waar de Italianen plompverloren het grote hotel aan het stadsplein hebben ingenomen en afgezoomd met zandzakken en prikkeldraad.
Dukagjini, de uitgeverij van de gebroeders Lluka, is indrukwekkend. Prettige lichte ruimtes, schoon en met werkelijk alle apparatuur gevuld die er nodig is om alle stappen van het drukwerk uit te voeren. Niks uitbesteden, geen onbetrouwbare partners maken, alles in eigen hand. Maar dan ook alles: etiketten voor flesjes bier, kalenders van het UCK, toespraken van Rugova, agenda's, schoolboeken.
De drukkerij bestaat sinds 87, de literaire boeken sinds 93. Eqrem Basha is een schrijver met een loyale uitgever: groot en commercieel, maar op de keuze van personen die hij vertrouwt, zoals Basha, die met Maliqi en Ismaili de redactie vormt van literaire en wetenschappelijke reeksen van hoog niveau maar zonder winstpotentie, gaat hij af zonder verdere vragen te stellen. Later op de middag zien we hem nog helpen pakketten van Basha's kersverse Levi-Strauss vertaling in de laadbak van de bestelbus gooien. In de gesprekken met ons is Agim Lluka ongeconcentreerd, voortdurend onderbroken door anderen die ook iets moeten, er staan al om elf uur grote bellen whiskey op tafel, maar hij ontvangt iedereen met speels gemak. Ook Bart Vrolijk, NL coordinator van Unmik-onderwijs hier, die zijn nieuwe Albanese contactpersoon voor een nabijgelegen dorp komt voorstellen, en mij intussen uitlegt hoe wisselend hier de machtsverhoudingen zijn sinds de oorlog: zelfbenoemd bestuur, pas sinds vorige maand vervangen door een soort meerpartijenvertegenwoordiging, terwijl de buitenlanders momenteel nog steeds de baas zijn. Een Fransman in Pejë, een Mexicaan in Prishtina. Maar al die nieuwe posities die nu vrijkomen voor Albanezen trekken volgens Eqrem vooral de agressieve middelmaat aan.
In dit glanzende gebouw nam het Servische leger zijn hoofdkwartier voor de regio. Vandaar dat het niet vernield is. Alle omringende huizen waren zelfs tijdens de oorlog bevolkt door Albanese families, om de Nato met waslijnen en rokende schoorstenen te doen geloven dat het gemengde leven hier gewoon doorging alsof er niets aan de hand was. Alle anderen werden natuurlijk meteen verjaagd, hun huizen geplunderd en verwoest.
Op straat kuierend groet Agim iedereen. Ook Sokol, een bitter-geestige kunstenaar die volgende maand op initiatief van Luchezar Boyadjiev meedoet met een groepsexpositie uit de Balkan in het Jeu de Paumes te Parijs. En de oppergeneraal van het UCK, Ceku, gesecondeerd door de al even befaamde generaal Haradinaj. Sterke handdrukken, korte indringende blik, de generaal is een lange vlezige man.
In Pejë veel post-socialistische handel nieuwe stijl: uitgebrande ramen, roet op de muur, winkeltjes en vage etalages op de begane grond. In het stadspark staan de ex-soldaten van het UCK (nu TMK geheten) nog in hetzelfde uniform maar zonder wapens, met hark en kruiwagen in het stadspark.
Ook in Prishtina gaat Dukagjini zich laten zien. Eqrem, hun vaste uitgever, krijgt een kantoor achter de verrassend mooi ontworpen nieuwe boekwinkel die ze binnenkort in het centrum gaan openen. Ruim, door Rozafa en Agim, allebei architect, slim ingedeeld met veel plaats voor boekenkasten maar ook twee omlopen voor koffiezitjes en internetcafé. Er moet een internationaal assortiment komen, omdat natuurlijk de buitenlanders de rijkste bewoners van de stad zijn. Dit is, zoals Eqrem zegt, een van die kleine stappen waarmee je een samenleving ook weer kan helpen normaal te worden; je hoeft niet per definitie de politiek in. (Hij zelf, schoolvriend van Rugova, weigerde een adviseursbaan; richtte met Surroi ook Koha Ditore op, maar vertrok daar al snel.)
's Avonds eten met Migjen Kelmendi. Leuk hem weer te zien. Hoe de schijnbare arrogantie zomaar kan wegvallen, waarop hij heel ernstig wordt.
(de volgende passage geschreven terwijl ik in slaap val)
Hij is zijn column in Koha Ditore kwijt, en vermoedt vanwege het taaltaboe. Hij schrijft in het Geg, de zgn noordelijke taal in Albanië. Daarin hebben de Kosovaren zich niet ontwikkeld. A laisse ses faire. Hoxha riep in 1972 het Tosk, de streek waar hij vandaan komt. Hij heeft het al twee keer jaar gewoon spelen.
C'est un problem, 6 maart.
Heerlijk visrestaurant trouwens, we eten octopus, en bevestigen eerste keer, prettige gemeenten vinden het ook goed als hij iets langer blijft.
(Volgende ochtend.) Hij is dus zijn column kwijt. Officieel omdat ze alle columns gestaakt hebben, maar hij voelt dat er ook angst was omdat hij een taboe raakte. Hij schreef namelijk in het Gheg, de taal van het noorden, die drie kwart van de Albanezen spreken, maar die sinds 1972 niet mag worden geschreven, sinds Enver Hoxha de taal van zijn eigen zuiden, het Tosk, tot standaardtaal verklaarde. Sindsdien geldt het Gheg als provinciaal, en erin te schrijven kwam je te staan op verwijten de Albanese idee te verraden, erger nog: spion van Servië te zijn.
Migjen maakt zich hier kwaad over. In een land zonder criteria, in volle chaos, moet je volgens hem vasthouden aan de weinige dingen die werkelijk hier zelf zijn ontwikkeld. Doorschrijven in Tosk levert alleen maar nadelen op: na vijftig jaar gescheiden van Albanië te hebben geleefd wordt het Tosk van de Kosovaren in Tirana toch maar achterlijk gevonden; bovendien, waarom zou je Albanië als rolmodel kiezen, waar de elite er in geslaagd is het land tot het armste van Europa te maken?
Het is interessant. Kosova, een nieuw land, moet zichzelf volledig nieuw uitvinden. De auto's rijden zonder nummerbord, zolang de oude niet meer gelden en de nieuwe registratie nog niet is gestart. Het bestuur is in handen van wisselende partijen, de twee regeringen erkennen elkaar niet en de dagelijkse macht in handen van de buitenlanders blijft natuurlijk tijdelijk en oppervlakkig van aard. Op wie moeten ze zich richten? Het oude Joegoslavië is volkomen uit den boze, Bosnië schiet niet op en Albanië is een nog diepere chaos.
Op straat, tussen de modderplassen, vuilnisbergen en dwars geparkeerde auto's, is het om middernacht nog niet stil. Er rijdt nog verkeer, in de hoge flats brandt nog licht, de Britse helikopter ronkt zijn rondjes.
donderdag 2 maart
Eerst een interview met Veton Surroi, een held van deze tijd. Het intimideert me bijna, de kalme grootheid van die man. Vierkant gebouwd, zorgvuldig getrimde baard, een hoofd als een baksteen, een pak dat wel om hem heen gegoten lijkt, de enkele keer dat hij lacht zit er ruimte tussen zijn tanden, verder praat hij weloverwogen, elke zin citabel, met punten en komma's ingebouwd, en niet uit zijn evenwicht te brengen. Achtendertig en geen scheurtje in zijn principes. Het kost me moeite hem de vragen te stellen die een voorbijkomende journalist nu eenmaal hoort te stellen. Die codes stelt hij vast. Op terzijdes, meer persoonlijke dingen gaat hij niet in. Hij laat rustig stiltes vallen als de beurt wat hem betreft weer aan mij is. De jonge medewerkers benaderen hem op kousevoeten.
Een visioen voor Kosova heeft hij ook niet, al beweert hij al jaren dat het nodig is. Hij bemiddelt van nature, maar spaart niemand in zijn kritiek. Journalistiek en opkomen voor mensenrechten beschouwt hij niet als twee verschillende dingen. De compromissen van een politieke positie verkiest hij niet. Hij heeft liever invloed dan macht. Van zijn bedrijf maakt hij een familie. Zijn verhoudingen tot de Kosovaarse machthebbers met hun gekonkel zijn tot op de draad versleten. In zijn kleine, opgeruimde, sobere kantoor blijft hij zitten, zonder een spier te vertrekken.
Het regent de hele dag. Plassen water overal, stroompjes in de goten, wandelen wordt een hinkstapsprong. Ik bereik het gebouw van de OSCE, net als alles hier ligt het vlak om de hoek. Door een metaaldetector naar binnen, paspoort afgeven, dan de sleetse, machinale wereld in van een multalterale hulpverleningsbureaucratie. Acht verdiepingen van tl-buizen, computertypografie aan de muren met nieuwe reglementen (kilometerstand aan het begin van de rit noteren, geen gasten meenemen naar de kantine tussen twaalf en vier, te hard rijden geeft ongelukken). En middenin die witte nietszeggendheid zit Adrienne, nauwelijks veranderd, zelfde ironische glimlach, samenzweerderige toon die een oprechte betrokkenheid verhult. Een stroom van licht geponeerde analyses waar jaren ervaring achter zit. Ze trekt haar eigen plan: samenwerking tussen de onafhankelijke media, coordinatie tussen de donoren. Ze wordt cynisch noch opvliegend van het rare volk waardoor ze wordt omringd: ngo-routiniers, ontwikkelingswerkers, diplomaten, oud-militairen, allemaal met eigen opdrachten en werkstijl. Ze wil hier nog wel even blijven, op dit vreemde moment , waarin de mensen zich vrij voelen maar onveilig. We lunchen in de kantine, bediend door Albanese nichten. Slappe mengelmoes van eten, uitzicht over de onopmerkelijke heuvelwijken van Prishtina.
In het zwaarberookte, door mannen bevolkte café St. Pauli ontmoet ik Lindita Aliu (Soros afd. uitgeven, schrijfster Write Now) en Sazana Capriqi (docent Engels aan de universiteit, hoofdredacteur Sfinga, mooi tijdschrift voor vrouwenliteratuur). Allebei vrij jong, goed Engels, hardwerkend, niet flitsend maar ook niet bitter. Ze zijn goede vriendinnen en leggen alles samen uit. Dat veel vrouwen poëzie schrijven, omdat ze de concentratie niet hebben voor het langere werk. Dat literatuur hier vanouds wordt geassocieerd met nationale waarden, met politiek. Dat in deze patriarchale samenleving schrijvende vrouwen nauwelijks worden waargenomen. Ze maken zich kwaad over Migjens pleidooi voor Gheg, dat ze toch zuiver politiek opvatten: hij moet niet nationalistisch worden over Kosova, zeggen ze, door voor een afscheiding van Albanië te pleiten. We moeten gewoon die standaardtaal accepteren (brood breng je ook niet terug tot deeg) en ons richten op Europa. Over de stijlverschillen, het isolement van de Balkanschrijvers, dat zo duidelijk oprijst uit de teksten van Write Now, hebben we het niet. Geen tijd.
De afspraak met schrijfster Naime Beqiraj loopt mis. Maar het brengt me wel eindelijk Grand Hotel Prishtina binnen, volgens Garton Ash het slechtste vijfsterrenhotel ter wereld. Enorme ruimte, zwarte skaileren fauteuils, schaarse verlichting, uitgestrekte lege eetzalen, her en der groepjes zakenmannen en journalisten. Op straat nadert nu het einde van de dag: overal krassen de kraaien, ze zitten in de bomen en op de daken, met honderden, en hun apocalyptische geluid wordt pas overstemd als de generatoren grommend aanslaan omdat de electriciteit weer eens uitvalt.
In de vrijwel uitgestorven, klassiek socialistische eetzaal van Unmik tref ik Sonja Nikolic, een uitgemergelde blondine met decennia van goedkope makeup achter zich: de manager van Radio Contact, en Servisch. Vastbesloten te blijven, ook nu haar twee opgroeiende dochters hysterisch raken van de opsluiting in dit hotel. Nikolic zelf zit in de Kouchner-regering en heeft nu permanente bewaking. Eten doet ze nauwelijks meer, met praten houdt ze niet op. Een opgejaagde vrouw. Ze tekent het contract voor geld van Press Now. Het doet haar goed. Het is echt een spookleven dat zulke Servische mensen hier nu leiden: elkaar nauwelijks merkbaar toeknikken op straat, niet aanspreken, zichzelf niet verraden, later pas bellen om het uit te leggen. Maar, zegt ze, liever vechten voor een plaats hier dan met zijn allen wegzakken in de hopeloosheid van Belgrado.
Tenslotte de PostPessimisten: in 94 opgericht, mede met hulp van Pax Christi, toen nog Servisch-Albanees: scholieren, jonge studenten, pratend, organiserend. Vanavond, in het kantoor van Unicef, dus ook alweer dodelijk omhelsd door de buitenlanders, zijn er drie meisjes en elf jongens. Stoere begroetingen, rumoerige gesprekken, de onderwerpen vliegen voorbij, intussen praten en stompen ze door elkaar. Later blijk ik als altijd te optimistisch. Wat ik zag als een leuke avond van plannen maken zonder al te hoge concentratie, net als kids overal ter wereld, bleek te gaan over een probleem dat alleen hier kan ontstaan. Een jongen heeft zonder de rest te waarschuwen deelgenomen aan een bijeenkomst in Skopje, met Servische studenten, en daarover een interview met Danas in Belgrado gegeven. Die zetten het op hun website, en nu krijgen de PostPessimists hier dreigementen dat ze collaboreren met de Serviërs. De groep dreigt uiteen te vallen, mensen zeggen hun lidmaatschap op uit angst of woede. Nu blijkt Doruntina een goede voorzitter: kalm, jong maar stevig, er wordt naar haar geluisterd. Maar die dreigementen tonen nog eens hoe gewelddadig de samenleving wordt, hier althans, als er geen gezag is. Dit soort acties is het bewijs van de keiharde, onverzoenlijke geest hier. Het geweld zit in de mensen. Ze sleuren een dode Serviër uit de ambulance. Ze blazen iemands winkeldeur op omdat hij niet meemarcheert naar Mitrovica. Er heerst hoogspanning.
vrijdag 3 maart
Op een zonnige voorjaarsochtend beklim ik de trappen van het Media House. Liften doen het hier niet. In socialistische tijden zat hier de officiële pers. Nu worden de meeste verdiepingen bewoond door nieuwe kranten, sommige zijn leeg, ik zie een paar ratten op de twaalfde. Bij Bota Sot, een heftig Albanese krant, tref ik in een kleine doorrookte kamer acht jongens en meisjes, ratelend op WP 5.1. Teki Dervishi blijkt hun baas.
We drinken koffie, getolkt door twee gebrekkig Engels sprekende jongens. Dervishi is het archetype, correspondeert volledig met zijn tekst: jaar of vijftig, zestig, vriendelijke ogen, verwaaid grijs haar, ongeschoren, peper en zout snor, gele vingers van het roken. Maar hij schrijft weer, heeft energie en plannen, ziet uit naar de e-mail correspondentie met Els de Groen, werkt aan een goed klinkend boek met korte verhalen over een journalist die reist tussen Sarajevo, Prishtina en Tbilisi. Buzuku wordt zijn uitgever. Onze 500 DM ontvangt hij met dank, met de Aida-nieuwsbrief en de teksten van Write Now. Dit is precies de schrijver die het nodig heeft: aandacht, vertalingen, geld. Of hij ook in zijn werk de aansluiting kan vinden bij de Europese literatuur waarvan hij schrijft te zijn buitengesloten, dat moet zich nu gaan bewijzen.
Aan de koffie elders noemt Eqrem nog een paar goede schrijvers die we nog niet hebben:
Ali Podrimja, Mehmet Kraja, Zejnullah Rahmani, Flora Brovina.
Bij dagbald Zeri is het licht en ruim, feeststemming sinds Halil Matoshi vrij is. Hij was in Prishtina tijdens de bombardementen, werd in mei opgepakt en bracht acht maanden door in een Servische gevangenis. Nu is hij terug om Sheshi te leiden, het tweewekelijkse cultuurblad dat hier ook door Zeri wordt geproduceerd. Het gaat dus goed met het blad – dat wordt gesteund door het CEEBP, zoals Zeri geld krijgt van Press Now. Matoshi is een kleine man met een vetkuif, een onrustige blik en een brede lach. Hij werkt aan een boek over zijn ervaringen. Trots naast hem zit Blerim Shala, de chef van het bedrijf, een blonde reus. Spreekt Amerikaans, kent de weg in fondsenland, straalt dynamiek uit en schrijft intussen voor Sheshi over Kafka, popmuziek en Elie Wiesel. Waarom niet?
Ik wil ook een jonge journalist spreken voor mijn reportage. Migjen heeft me Garentina Kraja aangeraden, van Koha Ditore. Na een paar keer proberen vind ik haar achter haar computer, in de lange redactiezaal van de krant, waar twintigers achter een rij computers zitten. Ze is 21, een open rond gezicht, hard in de weer met een project voor de BBC. Ze heeft geen tijd. We spreken af dat ik haar per e-mail vragen zal sturen; ze belooft te antwoorden zodra ze een deadline ontvangt: 21, deadlinejunkie.
Er is tijd voor een broodje. De zon schijnt stralend over het centrum van Prishtina, volgebouwd met merkwaardig beton: passages, voormalige praalarchitectuur maar van een provinciaal kaliber, het grote gebombardeerde postkantoor. Alle grote gebouwen hier zijn ingenomen door de nieuwe kolonialen, Unmik en Osce. Ze lopen met zware wapens of wapperende dossiers over straat. 'Mercenaries, missionaries and misfits,' zegt Willem Houwen later op de avond. Ik tref een supermarkt aan, Ardi, die voor de Albert Heijn nauwelijks onderdoet. Hoe krijgen ze al die spullen hier? Natuurlijk is elders op straat ook wel alles te koop, zonnebrillen, boeken, karbonades, fruit, UCK-vlaggetjes – maar zo'n supermarkt heb ik nog niet eerder gezien. Buiten zie ik voor het eerst een vrouw bedelen. Het wemelt van de mensen, merendeels jong (70 procent van de bevolking is onder de dertig, de bevolkingsstrategie van de Albanezen werkt blijkbaar -), onafgebroken over de schots en scheven trottoirs van de Korso paraderend.
Dan de lange klim naar Radio Contact, veertien hoog in het Media Gebouw. Alleen al de hoogte biedt ze een zekere veiligheid voor plotselinge invallen van mensen die een gemengd radiostation niet zo'n goed idee vinden. Omdat Zvonko Tarle in Belgrado is, spreek ik met Bekim Baftiri (Albanees, lang in Kroatië gewoond, deputy editor, roodharig, formeel, gedraagt zich steeds alsof hij door een westerling op zijn zuiverheid wordt getest – waarna ik die rol onwillekeurig ook op me dreig te nemen), Teuta Hyseni (Albanees, lang in Belgrado gewoond, secretariaat, een van die slimme meisjes die zich althans in aanwezigheid van buitenstaanders ondergeschikt laat maken) en Nenad Maximovic (een jonge Montenegrijn, spreekt geen Albanees maar wel Engels, is dus de tolk voor Baftiri die tot hem het woord voert in het Servisch, maakt elke zaterdag radio namens het Civic House, een ngo met multi-etnische bedoelingen, ook op deze verdieping gehuisvest).
Radio Contact zit middenin de verhuizing van de linkerhelft naar de rechterhelft van de etage, en zendt dus geïmproviseerd uit. Ik maak het nieuws van vijf uur mee, gelezen door een speedy Albanees van zestien, die zich verslikt in de tekst en zodra de microfoon uit is hard 'fuck, fuck' roept. Verder ziet de aanstaande ruimte er goed uit, en lijken ze ook wel op weg zich aardig te outilleren, mede dankzij de steun die momenteel van verschillende donoren op ze afkomt.
De informatie van Press Now komt nog aardig overeen met de huidige werkelijkheid. Het aantal mensen dat er werkt, in dienst of vrijwillig, stijgt telkens wat, nu rond de 35. De programma's bestaan vooral uit muziek, door de week gewoon internationaal, in het weekend wat meer uit Kosova, Servië, Bosnië en Kroatië, steeds door presentatoren in hun eigen taal aangekondigd. Het nieuws komt van de bekende onafhankelijke bronnen. De eigen journalistieke programma's (als Kosovo between Past and Future) en jeugdprogramma's (Graffiti) zijn nog in voorbereiding, net als het werken vanuit studio's elders in het land. Dit station is of in de groei, of op weg naar het einde. Het hangt ervan af of Kosova tolerant genoeg wordt voor zoiets. Momenteel spreken de schaarse Serviërs die elkaar hier op straat tegenkomen Engels, om niet in gevaar te komen. Radio Contact kan dus onmogelijk populair zijn, zelfs niet bij de Servische enclaves. Maar ze lijken werkelijk gemotiveerd om toch radio te maken en een brug te slaan. Zulke grote risico's neem je tenslotte niet voor je plezier. Na het nogal formele gesprek blijf ik nog een tijdje praten met Nenad, de Montenegrijn met de eeuwige glimlach die leeft tussen huis, Unmik-restaurant en hier, en Bashkim, de speedy nieuwslezer die ook degene blijkt die met zijn Servische contacten de PostPessimisten in verlegenheid heeft gebracht. Interessant gesprek; ze zijn koppig, roekeloos, ergens voorbij een punt waar mijn begrip ophoudt. Ze leven in een sfeer van intimidatie en achterdocht die al jaren duurt, maar het afgelopen jaar ook weer zo radicaal is omgeslagen dat niemand eigenlijk nog echt weet wat hij ervan moet zeggen.
Dan, aan het eind van vier dagen Prishtina, een avond in het restaurant met Adrienne, Willem, Margo (alledrie OSCE), Migjen Kelmendi en Blerim, een vriend en medewerker van Willem die vandaag met een Amerikaanse journalist in het grensgebied door Serviërs is beschoten.
Bij vlagen opvlammend, soms verhelderend en soms ontluisterend gesprek. Of Kosova in staat zou zijn een eigen staat te vormen en draaiende te houden. Adrienne en vooral Margo menen van niet; de laatste zegt steeds maar: hoe moeten wij hier vertrekken als jullie zelf niets doen om jullie land op te bouwen. De Albanezen blijven beleefd, lijken bijna verbouwereerd om zo te worden afgeschreven. Willem is positiever: als ik hem goed begrijp ziet hij uit wat we nu nog een informele economie noemen een samenleving groeien zoals we die nu domweg nog niet kennen.
zaterdag 4 maart
Met de opnieuw zeer vermakelijke Agim en zijn chauffeur, die als jongetjes voorin zitten te geiten, rijden Eqrem en ik mee naar Skopje. We komen langs de barre plekken voor de grens waar Eqrem met zijn gezin aan het begin van de bombardementen eerst vier dagen en daarna drie dagen achter elkaar heeft stilgestaan, alvorens door de Macedonische grenspolitie te worden teruggestuurd. Non-plekken: uitzicht op een stoffige, verlaten fabriek, een vuil braak terrein. Eqrem had vier literflessen rakia bij zich; hij dronk een fles per dag om zich voor de wanhoop te verdoven. Wij hoeven vandaag maar een uur te wachten. Maar zelfs dan is iets van de extreme doelloosheid voelbaar; daar kwam voor hen de angst nog bij.
In Skopje word ik door Kim Mehmeti meegenomen naar een conferentie voor journalisten uit de hele Balkan: Iso Rusi, Fatos Lubonja, Shkelzen Maliqi, en nog twintig anderen uit Roemenië, Bulgarije, Turkije, Albanië en ex-Yu. Omdat ik de enige westerling ben hoop ik op een kijkje in de keuken, nu ze eindelijk eens onder elkaar kunnen zijn. Maar het blijft juist steken in een klassieke mix van socialistisch lange, vormeloze redevoeringen en journalistengedrag, onderuitgezakt, niet in de discussie tredend. De klassieke opstelling, het microfoonsysteem, de anonieme omgeving van het Continental Hotel maken een gesprek bij voorbaat onmogelijk. Het Engels is de enige voertaal, maar voor veel mensen toch niet goed hanteerbaar. Ze willen hun eigen soort professionaliteit ontwikkelen, niet die van de westerse trainers, maar klinken zelf toch vooral ouderwets, en soms provinciaal.
Eten bij de ouders van Katerina. Ze zijn arm, in hun hooggestookte woonkeuken, en ze werken zich deze dagen te pletter aan de bloemenmarkt. Woensdag is het 8 maart, vrouwendag, en dat is nog steeds de topdag in het jaar voor de bloemenverkoper. Het weerzien is echt hartelijk, ze zetten een buitenproportionele maaltijd neer, maar treurig word ik toch. Hoe vast ze zitten, dromend van Amerika en Australië, maar nooit de tijd om ook zelfs maar eens naar het theater te gaan.
Ik ga wel, 'Semjomerot – The Earth Measurer' van Nikolaj Koljada, in de regie van Vladimir Milcin, hoofdrol Refet Abazi. Drie uur lang, ik versta geen woord, maar ditmaal raak ik toch onder de indruk van de ernst, het fatale gevoel, de kale setting. Ook al gaat het einde over de top, het oogt als belangrijk theater. Het vindt plaats in Dramski Theater, een prettige zaal, niet te aftands, met een lekker café en een mooie buitenplaats ervoor. Na afloop, tussen alle felecitaties, spreek ik kort met Milcin en Abazi (die tevens Soros hier runnen), goede vrienden van Sherefedin Mustafa. Vooral Abazi maakt indruk: een torenhoge jonge man met baard, dominant op het toneel. Hij heeft van Sherefedin over mijn stuk 'Albanezen' gehoord en wil het hier gaan maken. Ik vind dat natuurlijk interessant, maar twijfel na deze week of ik het nu nog steeds zou aandurven zo'n stuk te schrijven. Ergens echt rondlopen betekent altijd het compliceren en nuanceren van indrukken. De taxi brengt me naar het huis van Kim Mehmeti, waar ik mag logeren. Fascinerende man, kort van stuk en met een gemakkelijke pens: volstrekt oneerbiedig, onbevreesd tegen iedereen, somber over Macedonië, maar niet zo cynisch dat hij de discussie opgeeft. Lijkt me helemaal eerlijk, weinig opportunistisch, gewoon in staat om ondiplomatiek te blijven. Vorige week hebben onbekenden daarom de deur geprobeerd te forceren, toen alleen zijn kinderen thuis waren. Die zijn dus nu even elders. Kim ligt op de bank whiskey te drinken. Ik maak mijn dagboek af. Morgen terug naar de beschaafde wereld. Ondanks alle gastvrijheid, superieure humor, ondanks de opwinding dat hier een nieuwe samenleving wordt uitgedokterd, ondanks de intensiteit die maakt dat elk woord beladen is en tegelijk tekort schiet, zie ik uit naar Amsterdam.
