Vrije woorden en vrije mensen
Lindita Aliu
Vrije woorden en vrije mensen
Er was een echte oorlog in Kosova en in tijden van oorlog kunnen intellectuelen, net als iedereen, maar uit twee dingen kiezen; vechten of niet vechten. Dit oude dilemma houdt me niet bezig, omdat de concrete feiten er volgens mij genoeg over zeggen. Ik wil wel mijn kijk geven op de rol van de intellectueel in tijden van geweld en menselijke verloedering, die in Kosova bijna twintig jaar hebben geduurd.
Ik heb Kosova in 1992 verlaten, wegens de politieke activiteiten van mijn man. We vestigden ons in Skopje (ik heb de Macedonische nationaliteit), en mijn man werkte verder als journalist voor de Kosovaarse krant "Rinlindja"-"Bujku". We woonden daar al twee jaar toen op een nacht, om half drie in de ochtend, vier Macedoniërs, naar eigen zeggen op bevel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, het huis twee uur lang doorzochten en bij hun vertrek mijn man meenamen. De volgende morgen ging een neef bij het Ministerie naar hem informeren en kreeg te horen dat we een nachtmerrie moesten hebben gehad. Ik wist niet waar hij was tot 65 uur later, toen hij werd vrijgelaten.
Vijf jaar later, toen Bllace gebeurde (de grens van Macedonië met Kosova werd gesloten en vluchtelingen moesten zich dagen redden zonder onderdak, water en voedsel), moest ik vaak aan die nacht denken, toen een naamloze macht mijn man weghaalde. Ik herinnerde me hoe bang ik was geweest en hoe ik had geprobeerd mijn baby van zeven maanden te kalmeren door hem de borst te geven en hoe ik het hoofd van mijn andere zoon (twee jaar oud) had bedekt zodat hij de geluiden van de 'politie' niet zou horen en door zou slapen. Ik herinnerde me hoe ik geen woord had geuit en had gewenst dat ze zo snel mogelijk weer zouden weggaan, zonder mijn kinderen iets aan te doen. Die lui hadden arrogant alles in ons appartement omver gehaald, totdat ze elk beschreven stukje papier en wat waardevolle dingen van hun gading bij elkaar hadden geraapt, en toen ze weggingen zei ik niets, en mijn man zei niets, omdat we wilden dat alles vlug afgelopen zou zijn. Ik herinnerde me hoe mijn man naar de baby in mijn handen had gestaard terwijl hij de deur uitging. Zodra die achter hem dicht was, ging ik alle mensen bellen die ik kende. Bijna niemand was verrast, nog minder mensen konden iets voor ons doen.

Ik herinnerde me dat allemaal in Tirana (waar we heen waren verhuisd kort nadat mijn man was vrijgelaten), toen de oorlog begon, toen de vluchtelingenstroom op gang kwam, en vooral toen Bllace gebeurde. Ik zag foto's van mensen die om een stuk brood vochten, en dagelijks waren er verslagen over mensen die omkwamen van honger en dorst. Ook intellectuelen drongen zich door de menigte om aan te eten te komen, ook zij beschermden hun vrouwen en kinderen tegen wegvoering en verkrachting, ook zij poepten buiten, op elke lege plek die ze maar konden vinden. Ze hoorden bij een massa lichamen die vochten voor hun eigen bestaan, opgegaan in een totaal betekenisloos gebrek aan macht.
Met het privilege van de historische terugblik heb ik alleen maar slecht nieuws te melden aan hen die menen dat intellectuelen een rol van betekenis spelen in tijden van geweld: intellectuelen blijft niets dan een machteloze, zelfs bizarre rol, die voortkomt uit het besef dat je vrijwel geen greep op je eigen leven hebt in zulke tijden. Er was het zeldzame geval van de intellectuele kracht die tot handelen kwam, het geval van Fehmi Afgani, een van de opmerkelijkste politieke figuren uit de pacifistische beweging. Hij koos ervoor zich over te geven aan de Servische politie, in plaats van twintig jonge mannen voor zijn ogen geëxecuteerd te zien worden.Hij stapte van de trein die overvol was met Kosovaren op de vlucht naar Macedonië: misschien kon hij zichzelf niet zien als toekomstig leider van de mensen die hij zo makkelijk voor zijn ogen geëxecuteerd had kunnen laten worden, misschien wees hij naar de toekomst, naar de jonge mensen zoals zijn zoon, die een vrij Kosova zullen bouwen. Voor mij is hij een echte intellectueel, wat de dubbelzinnigheid aangeeft van de term, die niet alleen staat voor professionele prestaties, maar ook veel positieve connotaties over iemands persoonlijkheid oproept.
Nu, in de tijd na de oorlog, moeten intellectuelen allereerst weer terugkeren naar een normaal bestaan. Ze hebben omgevingen nodig waar ze vrij kunnen werken zonder zich te hoeven onderwerpen aan een politieke macht. Als we willen voorkomen dat onze tragedie zich herhaalt, is het dringend nodig dat het dominante discours van de haat wordt aangepakt en moet de werkelijk intellectuele stem zich kunnen uiten, een stem die stelselmatig tot zwijgen is gebracht. We moeten iets doen aan de bijzonder geïsoleerde en gefrustreerde manier waarop onze kinderen opgroeien, die heeft geleid tot een specifiek stelsel van morele ideologieën die in het Europese denken geïntegreerd moet worden. Helaas lijkt rationalisatie van de Servische visie voor overheersing van de Albanezen tot nu toe in de meeste westerse landen de voorkeur te hebben. Wat me stoort is een soort universele bereidheid om eerder ondergaan leed te herdenken dan veroorzaakt leed. Degenen die historisch gezien de misdaden in Kosova hebben uitgevoerd, moeten de kans krijgen gevoelens van schuld en schaamte te uiten, door tentoonstellingen in musea te organiseren of op andere manieren, zeker als weinigen onder hen van hun oorlogslust zijn genezen door de feitelijke ervaring van de verschrikkingen ervan, gezien de interviews met Servische paramilitairen. Historische interpretatie en onderwijs moeten helpen de blootliggende littekens van het geheugen te helen: Servische kinderen hebben het recht te weten dat hun vaders een totalitaire staat hadden gebouwd die zich de uitroeiing van een andere natie tot doel had gesteld.
Bij Albanezen kennen grote morele en ideologische kracht toe aan literatuur, en zelfs aan poëzie, die elders als het meest elitaire genre wordt beschouwd. Dit is gedeeltelijk een gevolg van het feit dat veel belangrijke politieke figuren in onze geschiedenis tot de literatuur behoorden, en gedeeltelijk van het feit dat onder het socialisme de literatuur ernaar heeft gestreefd minder "geprivilegieerd" te worden, meer op het volk gericht en eenvoudiger, beschikbaar voor de "gewone mensen". Er is dan ook behoorlijk veel "populair politieke" poëzie gepubliceerd, op alle plaatsen waar Albanezen leven, een deel ervan geschreven als visionaire, profetische of oratorische werken over een nieuwe wereld, zoals weinig of geen moderne schrijvers het ook maar in hoofd zouden halen die nu te schrijven. Ik denk dat Albanese schrijvers na deze oorlog niet aan het besef kunnen ontkomen dat ze geen supermensen zijn, dat het politieke karakter van poëzie niet noodzakelijk de belangrijkste kwaliteit ervan is: poëzie is geworteld in het persoonlijke bewustzijn van de schrijver, net als elke andere vorm van literatuur. De oorlog die we meegemaakt hebben kan geen voedsel bieden aan deugden als ridderlijkheid, moed, eer, mannelijkheid of zelfs maar patriottisme: er vond etnische zuivering plaats en Kosova was enige tijd bijna leeg. Dat beeld roept niets anders op dan de ervaring van naakte vernietiging, vernedering en schaamte. Na de veranderingen die tijdens de naoorlogse periode in Kosova hebben plaatsgevonden, verdienen retoriek en ideologie geen ruimte meer om de literatuur te begrenzen. Er is ruimte voor beelden die weer opnieuw naar de voorgrond van ons bewustzijn moeten worden gedrongen, als we onszelf en de wereld om ons heen waarachtig willen zien. Ik wil de rol van de tekst en de schrijver niet overdrijven, zoals "Write Now" enigszins lijkt te suggereren, met de naakte gebiedende wijs in de tegenwoordige tijd, die naast de noodzaak, helderheid en directe aandrang ook een metafoor van intellectuele macht lijkt te benadrukken. De schrijver in Kosova is, net als al zijn landgenoten, een oorlogsslachtoffer, een lichaamsdeel zonder naam, en dat leidt tot een crisis in zijn of haar morele waarden. Zoals Brecht een soort schuldgevoel onder woorden brengt:
