Het schrijven van poezie als politieke daad

 

DUBRAVKA DJURIC -

HET SCHRIJVEN VAN POËZIE ALS POLITIEKE DAAD

Ik wil u in de eerste persoon het verhaal vertellen van een dichteres
die meent dat haar activiteit in poëzie en kritiek een uitdrukking is van haar politieke standpunt.

Ik heb mijn opleiding genoten in de eerste helft van de jaren tachtig, ik ben opgevoed als Joegoslavische en verkeerde in de alternatieve artistieke, elitaire culturele kringen van de nieuwe kunstenaarspraktijk in voormalig Joegoslavië. De jaren tachtig waren in het vroegere zelfbesturende socialistische Joegoslavië tamelijk liberaal in vergelijking met de situatie in andere Oostbloklanden. Mijn opleiding was gebaseerd op de modernistische overtuiging dat politiek en kunst twee aparte sferen waren. Ik was geïnteresseerd in de problemen van archetypen en universele symbolen en in het werk van kunstenaars als Richard Long, Hamish Fulton, Jan Dibbets en Marina Abramovic. Ik werd gevormd in de kring van alternatieve activiteiten van het Belgradose Culturele Studenten Centrum. Het werk van de Belgradose conceptuele Groep 43, evenals de artistiek-theoretische Gemeenschap voor het Onderzoeken van de Ruimte, waar ikzelf ook aan heb meegewerkt, hebben invloed op mij uitgeoefend. Sloveense en Vojvodiaanse dichters zijn voor mij belangrijk geweest. Ik zal enkelen van hen noemen: Tomaš Šalamun, Iztok Geister Plamen, Slobodan Tišma, Vladimir Kopicl, Slavko Bogdanovic, Judita Šalgo. Mijn bundel "De aard van de maan, de aard van de vrouw" (gepubliceerd in 1989) is voortgekomen uit deze artistieke ondervindingen en levenservaringen. Begin tachtiger jaren begon ik mij bezig te houden met Amerikaanse poëzie, als vertaalster, en eind jaren negentig werd die bezigheid een obsessie en kreeg ze speciale politieke betekenis in verband met de politieke context waarbinnen ik actief ben. Van de Vojvodiaanse dichters en kunstenaars heb ik het begrip individueel anarchisme overgenomen: het niet aanvaarden en niet instemmen met de dominante kunstenaars, met modellen in het leven en de politiek.

Toen de crisis in ex-Joegoslavië begon, begon ik als antwoord te werken aan de gedichtenbundel "Valstrikken" (gepubliceerd in 1995). Bij het kiezen van die titel had ik in gedachten hoe individuen en hele volkeren in de valstrikken van een ideologie kunnen trappen, die zich als een ongeneeslijke ziekte in het weefsel van een natie nestelt. De oorlog begon, ik las dichters uit Slovenië, Kroatië, Bosnië-Hercegovina en Vojvodina (T. Šalamun, I.G. Plamen, Darko Kolibaš, Josip Sever, Sanja Marcetic, Slobodan Blagojevic, Hamdija Demirovic, V. Kopicl, S. Tišma) en schreef poëzie. Het eerste gedicht van die bundel is geschreven toen de oorlog in Kroatië begon en het laatste een paar maanden nadat de oorlog in Bosnië-Hercegovina was begonnen. Het laatste gedicht, "Orgie van de dood", is in de zomer van 1992 geschreven, toen mijn familie uit Sarajevo vluchtte. Ik dacht aan de verwoesting van de steden (het gedicht begint met de verzen: "steden sneuvelen, begraafplaatsen bijten"), over de zinloosheid van geweld (de verzen: "steden van honger smeulen, zoveel zonden zetten zich af op de dakrand…) en over de omvang van de destructie en het moorden, die ik niet kon bevatten en aanvaarden. Het gedicht spreekt over drie partijen (de Servische, de Kroatische en de moslims), over "drie broers" en "drie zusters", over de massa leugens die bezonk, over de verantwoordelijkheid van intellectuelen, vooral van schrijvers (de verzen: "de waarheid verteert in de pijp van de schrijver"). Juister gezegd, van diegenen die schrijver werden omdat ze betaalde dissidenten waren in het communistische regime en wier rurale cultuur door deze oorlogen de overwinning heeft behaald. Ik heb de tekst "De poëzie van het bevrijde significans" geschreven, over de Servische, Sloveense en Kroatische dichters die voor mij van betekenis waren. Mijn poëzie en mijn teksten waren een uitdrukking van mijn politieke standpunt. Gedurende de oorlog in Kroatië schreef ik geregeld recensies van boeken en tijdschriften voor "Naša borba", een Belgradose oppositiekrant. Ook die recensies waren voor mij een uitdrukking van mijn politieke standpunt. Boeken reisden ondanks de oorlog langs het traject Belgrado-Zagreb. Het eerste jaar van de oorlog werden ze meegenomen door vrienden die aan beide oorlogvoerende zijden familie hadden. Algauw daarna begonnen de posterijen te functioneren, zodat de boeken per post reisden of werden uitgewisseld bij zeldzame ontmoetingen op "neutraal" terrein (in Slovenië of Hongarije). In die periode schreef ik ook kritieken over Servische poëzie. Het was interessant te zien hoe de ideologie naar voren kwam in het dichterlijk discours. De overgrote meerderheid van de dichters en dichteressen aanvaardde de dominante waarden en prees in haar poëzie de nationale mythen, schreef over het roemrijke Servische verleden en verheerlijkte symbolen die verwezen naar "bloed en bodem". Sinds halverwege de jaren negentig redigeer ik samen met mijn oudere collega's dr. Svetlana Slapšak, de hoofd- en eindredactrice, en de redactrices Ljiljana Ðurcic, Radmila Lazic en Ljiljana Šop het tijdschrift voor vrouwenliteratuur en -cultuur "ProFemina", uitgegeven door het onafhankelijke radiostation B-92. In het tijdschrift publiceren we poëzie en proza van vrouwen en in mindere mate van mannen. We brengen stedelijke en emancipatorische poëtica uit, in tegenstelling tot de dominante tendens in de cultuur, die de voorkeur geeft aan nationale, historische en religieuze mythen. We proberen zo groot mogelijke aantallen dichteressen, prozaschrijfsters, theoretica's en kunstenaressen van het grondgebied van ex-Joegoslavië te publiceren. We trachten op microniveau (d.w.z. binnen de ruimte van een belangrijk tijdschrift dat, door andere waarden te stellen, van grote invloed is op de Servische cultuur) ondanks het moorden, de vijandelijkheden en het lijden een positief standpunt te scheppen, dat een rol kan spelen bij de genezing van de zieke Balkanruimte, dronken van bloed en haat ten opzichte van het Andere (een andere natie, een ander geloof, andere waardesystemen). Sinds het eerste nummer (winter 1994-1995) publiceren we vrouwelijke auteurs uit Slovenië, Kroatië, Bosnië-Hercegovina, Macedonië, Montenegro, Vojvodina en Kosovo. Het tijdschrift is ook belangrijk omdat we, vooral dankzij onze hoofdredactrice Svetlana Slapšak, de mogelijkheid hebben altijd vertalingen te bieden van de nieuwste theoretische feministische uiteenzettingen van eminente schrijfsters uit de hele wereld. Omdat het steeds moeilijker wordt aan actuele buitenlandse literatuur te komen, heeft het tijdschrift de missie om het Servische publiek kennis te laten nemen van de nieuwste theoretische werken, die interpretaties van literatuur (poëzie en proza) omvatten, maar ook van visuele kunstvormen, theater, dans en zo voort. Gedurende de bombardementen van de NAVO werd B-92 door de autoriteiten eerst verboden en daarna overgenomen, en het tijdschrift ProFemina was zijn uitgever kwijt. Bijna de hele oplage van het laatste nummer werd `in beslag genomen' en bleef achter in het radiostation, evenals de overgebleven nummers. Het is interessant dat een naar verluidt aanzienlijke journalist meteen na het ophouden van de bombardementen in het regimegezinde dagblad "Politika" een tekst schreef waarin hij verklaarde dat de feministes in Servië erger waren dan welke NAVO-generaal dan ook. Hij stelde de vraag "waarom feministes de Serviërs haatten", omdat alleen zij spraken over een collectieve schuld, en als symbool van de feministes in Servië nam hij de titel van het tijdschrift "ProFemina". ProFemina brengt exclusief bijdragen van buitenlandse schrijfsters, zowel uit het westen (Engelse, Amerikaanse, Duitse, Nederlandse, Franse, Italiaanse, Spaanse en zo voort) als uit het oosten (Russische, Oekraïense, Roemeense, Hongaarse, Tsjechische, Poolse en zo voort). ProFemina koestert de specifieke literaire gevoeligheid van jonge schrijfsters en critica's door hen in staat te stellen voor het eerst als schrijfsters in de openbaarheid te treden, en steunt en volgt hun literaire ontwikkeling. Het laatste nummer van het tijdschrift kwam uit vlak voor de NAVO-bombardementen. Hoewel de redactie van het tijdschrift in een zeer delicate situatie verkeerde, besloten we ervoor te vechten dat het tijdschrift koste wat kost zou blijven bestaan, ook in de slechtste omstandigheden, hopend op donaties die de continuïteit van de publicatie van ProFemina, juister gezegd, de continuïteit in het overleven mogelijk zouden maken.

Begin jaren negentig werd de oorlog ergens anders gevoerd, niet op Servisch grondgebied (beroemd was de verklaring dat "Servië niet in oorlog was", ondanks de gedwongen mobilisaties en de voortdurende ideologische indoctrinatie van de bevolking door middel van de media, een indoctrinatie met als doel het oproepen van haat en het aantonen dat een "verdedigingsoorlog" onvermijdelijk was, omdat die ons altijd door "anderen" werd opgelegd. Er ontstond een groot aantal Niet-gouvernementele organisaties, er werd een krachtig blok gevormd door de vredesbeweging, in het kader waarvan ik vooral de pogingen van de vrouwen, de feministes zou willen benadrukken. Tegelijkertijd werden er vele tijdschriften opgericht, ik zal de interessantste noemen: "ProFemina", "Transkatalog", Projektart", "Impuls". "Rec"; helaas komen vele daarvan niet meer uit, terwijl het lot van andere onzeker is. De artistieke en literaire productie was rijk en levendig. Alsof de mensen ten gevolge van de onmogelijkheid invloed uit te oefenen op hun eigen individuele lot, en nog minder op het collectieve, de behoefte hadden de fatale effecten van de werkelijkheid te neutraliseren, richtten ze al hun energie in positieve richting. Of ze verlieten het land in een poging voor zichzelf behoorlijker levensvoorwaarden te verzekeren, of ze kwamen expliciet in opstand tegen het geweld en de oorlog in vredescampagnes, protesterend op antioorlogsmanifestaties, of ze richtten hun energie in creatieve richting, door artistieke en literaire werken te scheppen (de laatste twee activiteiten waren bij vele creatieve mensen met elkaar verbonden). Zo ontstond de paradox, bekend in de geschiedenis, dat het begin van een politieke en economische crisis samenvalt met een uitzonderlijk vruchtbare periode van creativiteit, die verschillende maatschappelijke lagen omvat. Maar aangezien de processen van oorlogvoering en destructie steeds dieper gingen en steeds langer duurden, aangezien de crisis overging in agonie, aangezien de armoede steeds groter werd en de situatie steeds hopelozer, raakten de krachten eind jaren negentig langzamerhand uitgeput. De mensen werden hoe langer hoe wanhopiger, gedreven tot de rand van de existentie. Confrontatie met het vraagstuk van de zin, met het vraagstuk van de (on)mogelijkheid het naakte bestaan veilig te stellen, de voortdurende ideologische druk, het ondergedompeld zijn in het `normale' van die opgelegde ideologie, maakten dat een steeds groter aantal mensen de wanhoop, de radeloosheid en de uitzichtloosheid voelde van de situatie waarin ze zich bevonden. Ik bedoel helaas dat velen de toestand toch niet in verband brachten met de ware oorzaak die tot deze toestand had geleid, daarom werd de tragiek en de uitzichtloosheid nog groter.

Het jaar 1999 zal Servië heugen, onder andere vanwege de bombardementen van de NAVO. Die bombardementen waren een verschrikkelijke ervaring. Het betekende dat de oorlog zich nu afspeelde op ons grondgebied, dat de bommen op onze hoofden vielen, wat maakte dat vele vredesactivisten van gezichtspunt veranderden. In mijn binnenste zat ik vol zelfspot. Ik bedacht hoe makkelijk het is vredesactivist te zijn als de bommen op andermans hoofd vallen. Het was een ervaring vol paradoxen. Overdag was er de simulatie van een `normaal' leven. De mensen gingen de stad in. Zelfs als de sirenes die op gevaar duidden begonnen te janken, was er overdag in Belgrado niemand die zich opwond. 's Nachts wachtten we tot de sirenes het alarmsignaal gaven en luisterden aandachtig wat er zou gebeuren. De mensen waren in de war, bevangen door angst als gevolg van de onzekerheid hoe de zaken zich in de lucht en op de grond zouden ontwikkelen, hoe lang het allemaal zou duren en welke vormen het kon aannemen. De homogenisering van de maatschappij was volkomen en voor mij angstaanjagend. Even angstaanjagend was het gevoel dat de meeste mensen alleen dachten aan zichzelf, aan de gemeenschap waartoe ze behoorden, en dat het lijden van Anderen, dat zich tegelijkertijd op de meest drastische manier voltrok, voor hen niet bestond. Vele vrienden en kennissen verlieten tijdelijk het land. Er kwam weer een stroom van mensen op gang die het land voor altijd verlieten. Ik had altijd weg gewild uit het land waar ik woonde. Tijdens deze bombardementen wilde ik voor het eerst nergens heen. Vrienden nodigden ons steeds uit om voor enige tijd bij hen te schuilen, maar dat wilden we niet. Toen het bombarderen ophield, was het gevoel van een nog grotere ineenstorting hier, binnen handbereik, het vervulde mijn lichaam en mijn gedachten. De zinloosheid van de situatie schokte velen in hun "orthodoxe" overtuigingen, maar heel snel na het uitroepen van "onze" overwinning deed de propagandamachine zijn best om die geschokten terug te brengen tot het "ware geloof". Terwijl ik luisterde naar het uitroepen van de overwinning, was ik zo opgetogen dat ik mijn oren en ogen gewoon niet kon geloven. Het was heel fantastisch: de mechanismes van de macht van de ideologie vertoonden zich direct, open en bloot! Maar helaas zijn de mechanismes van de ideologie altijd heel effectief, omdat ze irrationeel zijn! Aangezien ik leef in een cultuur die vasthoudt aan een organische eenheid, aan de Eén (één volk, één geloof, één ideologie), kunnen ideologische verschillen tragische gevolgen hebben, en die hebben ze ook. Het gevoel na minstens negen jaar van mijn leven te hebben doorgebracht in zo'n omgeving is er een van machteloosheid, een gevoel dat er niets veranderd kan worden. Iedere poging blijft alleen een gebaar, gemaakt op een symbolisch plan. Maar dat gebaar is voor mij meer dan belangrijk en noodzakelijk.

Het gevoel te leven te midden van een vernielde microruimte, het gevoel dat de meeste mensen om je heen denken dat de wereld (ze bedoelen het westen) ten onder gaat, dat de landen van het Oostblok zich hebben "verkocht", terwijl je zelf leeft in de "welstand" van een geestelijke en materiële ravage, is een fenomeen op zich. Iedere isolatie betekent ziekte. De ervaring van het leven in Servië toont aan hoe de ideologie functioneert, dat de ervaring van de realiteit niet van belang is, omdat de werkelijkheid wordt afgedekt door het scherm van de ideologie. Daarom is het mogelijk na de interventie van de NAVO de overwinning af te kondigen of op het geweld van politieagenten te antwoorden met kreten "Ga naar Kosovo", wat een dezer dagen in Belgrado opnieuw is gebeurd. Geslotenheid betekent de dood. Ophouden met de uitwisseling van mensen, materiële goederen en ideeën betekent de dood. Om de woorden te gebruiken van de dichter met de meeste invloed op het vroegere taalgebied van het Servokroatisch, T.S. Eliot, vraag ik me af: leven wij de dood in het leven?

Vorig jaar oktober in Ljubljana schreef ik gedichten, bezeten van de beleving van grenzen. Met een Servisch paspoort ben je van Belgrado naar Ljubljana ongeveer 16 uur onderweg, via Hongarije, je passeert vier grensovergangen, met alle onaangenaamheden van dien. Ik dacht: wij zijn nu het enige Oost-Europa, in de zin van politieke bepaling. Dat betekent dat wij leven in een gesloten, arm land, dat we niet de mogelijkheid hebben ons vrij te bewegen, zelfs niet in ons eigen land, want ten gevolge van de armoede is iedere uitgave, bijvoorbeeld het betalen van een buskaartje naar Novi Sad (de hoofdstad van Vojvodina, of zoals je nu volgens de politieke voorschriften moet zeggen, de hoofdstad van de "noordelijke Servische provincie"), voor de meerderheid van de bevolking een probleem geworden. Reizen naar het buitenland is gecompliceerd, zowel ten gevolge van de armoede als ten gevolge van de moeilijkheid een visum te verkrijgen. De cyclus gedichten die is ontstaan in Ljubljana spreekt over het gevoel van grenzen: de grens in mensenhoofden en de grens in het echte leven. De grenzen, getekend op het territorium van voormalig Joegoslavië, kun je niet overgaan. Maar het probleem zit niet in de grenzen op de kaarten, de grenzen in de hoofden van de mensen zijn het probleem. En zolang het probleem in de mensenhoofden niet is opgelost, is er geen oplossing voor de ex-Joegoslavische gebieden op de Balkan. Of om concreter te zijn, voor het gebied waar ik woon, want alleen daarover kan ik praten, omdat ik daar woon. Deze ervaring is uitgedrukt in de verzen van het gedicht "De grens": "… de instantervaring van verdeling/ Grenzen die niet worden gepasseerd/ Van hersenkronkels/ Vlakbij Fiume…" Als ik met mensen praat ben ik altijd verrast hoeveel vooroordelen er opeens zijn ontstaan in hun hoofden. De ideologie constitueert het bewustzijn. Gezond verstand heeft daar geen plaats. Mijn gevoel als dichteres is dat ik in mijn poëzie discoursen moet gebruiken van de ideologie die mijn werkelijkheid constitueert en dat ik de absurditeit daarvan moet aantonen. Bijvoorbeeld het gedicht "Afdaling" heb ik in de zomer van 1997 geschreven na het beëindigen van de oorlog in Bosnië-Hercegovina. Het leek alsof de vrede eindelijk in zicht was, maar nadat ik de inauguratie van "onze" president had gezien (de verzen: "een donkere Mercedes stopte zodat de spoken konden instappen/ zodat het licht van de reflectoren volle stadions zou tonen/ en ovaties/ Heersers zijn onsterfelijk, heersers beheersen de ingewanden/ de blikken, de gewoonterechten, de manieren"), heb ik dit gedicht geschreven. Het is een uitdrukking van de hopeloosheid die me omringt. Het spreekt over strijders, over de relatie tot de godsdienst (iedereen is godsdienstig geworden, de godsdienst is de enige toevluchtsmogelijkheid, want <"onze"> God is rechtvaardig en de Wereld <het westen> slecht en verdorven). Het spreekt over de relatie met het roemrijke verleden, over het verlangen naar een Derde Wereldoorlog of Star Wars, over de vrijheid die "Hij" ons heeft gebracht door ons van alles te bevrijden en zo voort. Ik citeer nog enkele verzen: "kloostercellen wachten ons met vreugde/ koude, naakte muren, houten bedden,/ meditatie, wijding aan GOD"; of: "vreest de derde wereldoorlog/ die jullie heeft verwoest in het glas/ dat de ergst mogelijke storm en schipbreuk beleeft/ weest een drenkeling op een onbewoond eiland/ droom Robinsons droom" en zo voort.

Mijn gedichten zijn niet narratief en helder transparant. Ik doe mijn best om ze gecompliceerd te maken. Ze zijn niet anekdotisch, ze worden gebouwd van de taal van de ideologie, de politieke taal die me omringt. Ze bevatten sporen van mijn gang door de talen van het Europese en Angelsaksische modernisme. Ze komen voort uit het lezen van hedendaagse poëzie, ze verwijzen naar de ervaring met nieuwe technologieën en nieuwe communicatiesystemen, hoewel mijn ervaring de ervaring is van iemand die aan de periferie leeft, niet in het centrum van het hedendaagse. Ik ben van mening dat er ook sporen van het hedendaagse aanwezig moeten zijn in de discoursen van de poëzie van dichters en dichteressen die behoren tot culturen die uit alle macht strijden om niet in het hedendaagse te leven. Dit standpunt maakt dat mijn poëzie een diep ideologisch stempel draagt. Ik wil dat mijn poëzie door zijn expressie of althans door dat wat de moderne Amerikaanse dichter Charles Bernstein "de politiek van de dichtvorm" noemt, in relatie staat tot de moderne poëzie die in het westen wordt geschreven, vooral in de Verenigde Staten van Amerika. Maar de gedichten zijn volkomen contextueel bepaald, want ze komen voort uit de specifieke ervaring van het leven in postcommunistisch Servië. Die ervaring geeft ze een heel concrete betekenis. Ze zijn de uitdrukking van een individuele ideologie die ingaat tegen definitieve bepalingen. Mijn identiteit is niet één. Niet als het gaat om de natie, niet als het gaat om de godsdienst, ook niet als het gaat om de ideologie. In de poëzie druk ik een standpunt uit dat ingaat tegen alle dominante bepalingen van de cultuur waarin ik leef. Ik voel mij gedecentreerd ten opzichte van alle gefixeerde, dominante bepalende factoren van de cultuur waartoe ik behoor.

Vertaling: Reina Dokter