Het enige dat we kunnen doen is ons goed gedragen
Mimoza Ahmeti
Het enige dat we kunnen doen, is: ons goed gedragen
Intellectuelen vormen de voorhoede van een samenleving, mits die samenleving ook tot de voorhoede behoort. Bij ons is noch het een, noch het ander het geval. Het enige dat we kunnen doen, is: ons goed gedragen.
Iedereen die Saloniki gezien heeft, weet wat het betekent om louter voor je plezier te leven, met eten en drinken, en vlakbij de zee in de meest plezierige zin van het woord: een strand. De nazomer was al overgegaan in de herfst toen ik op een paar schoenen met hoge, houten hakken en een strak zittende spijkerbroek met daaromheen een ceintuur, in Saloniki aankwam. Natuurlijk had ik onderweg hierheen iedere vorm van spanning of conflict vermeden omdat het jaar 1997, zoals u weet, al genoeg spanningen en conflicten had opgeleverd, en met al die beelden nog vers in mijn geheugen had ik slechts één verlangen: lachen, onbezorgd leven en vergeten wat er gebeurd was, en dan het liefst zonder te hoeven denken aan mijn eigen ego, een ego dat, zoals ik tot dan toe gedacht had, en zoals ik ook nu nog denk (een defect van mij als intellectueel!), bestond uit het vermogen om te accepteren, te voorkomen of op zijn minst te voorzien wat er zou kunnen gebeuren.
Maar had ik wel reden om zoiets van mezelf te zeggen? Ik had namelijk niets kunnen voorzien, niets van wat er gebeurd was, van al dat tumult in de media, de meetings, de tanks en de pantservoertuigen, met daar tussendoor ook nog, als in een droom, het beeld van de koning. Ook mijn dromen, die verschrikkelijker waren dan alles wat ik ooit aanschouwd had, waren niet in staat mijn nieuwsgierigheid te prikkelen. Een dergelijk bestaan, dat wil zeggen: zo'n nachtmerrie die je wakend beleeft en die zelfs iemand die de hele dag hard moet ploeteren en uit zijn kommervolle bestaan geen uitweg meer ziet, niet in zijn slaap zou willen hebben, zal voor een intellectueel (want daar hadden we het toch over) misschien een unieke ervaring zijn, maar voor mij zeer zeker niet, want ik vergeet me altijd te herinneren dat ik tot een dergelijk ras behoor.
Ik was die nacht in de buurt van hotel Rogner, waar de journalisten zich gedroegen als jakhalzen in de buurt van een vers kadaver of het lichaam van iemand die op sterven ligt, maar nog net niet de geest gegeven heeft, en ik besloot tot God te bidden dat hij al dat tumult aan mij voorbij zou laten gaan. Ik zei tegen mijn vriend Çan dat ik aan al die wreedheden een einde zou maken, want God zou mijn bede verhoren: ik had altijd naar Zijn woord gehandeld en dat alles wat ik gedaan had, was overeenkomstig Zijn wil geweest. Maar Çan zei tegen me: 'Jouw wezen schuilt in jezelf! En realiseer je: ze zijn er. Morgen zie je ze ook in Tirana.' (Hij had het over al die idiote milities die stad en land onveilig zouden maken.) Later begreep ik dat de meeste mensen die in en om het hotel rondhingen, visa hadden en popelden van verlangen om weg te komen, het liefst 'bij het eerste hanengekraai', zoals mijn grootmoeder zaliger placht te zeggen.
Natuurlijk was er niemand die me zag. Ik had zelfs de indruk dat niemand überhaupt nog een ander zag en dat iedereen als een slaapwandelaar door de gangen liep, starend in de morgen die nog niet was aangebroken en die vermoeid en ongeduldig wachtte totdat men eindelijk zou gaan slapen. En terwijl ik zo liep te hallucineren, maakte ik een buitenzintuigelijke reis en zag het uiterst charlesiaanse gezicht van Charles, een Amerikaan die in die maanden het American Center leidde; heel even, als in een flits, verscheen zijn gezicht in de deuropening van de lift, en het gebed bleef in mijn keel steken. Ik realiseerde me echter dat ik mijn gebed richtte tot God en niet tot Charles, zodat ik mijn net geopende zintuigen weer sloot, terwijl mijn hoopvolle gebed daarin nog pulseerde. Ach, die God, hij had mijn gebed niet verhoord, en meer nog: terwijl mijn gebed, tussen al die andere zo aantrekkelijke, maar verschrikkelijke dingen, in de hemel aankwam, ging alles door zoals het altijd gegaan was en bleef men elkaar uitmoorden zoals men elkaar al drieduizend jaar uitgemoord had.
Wat me het meest schokte – ook al was het misschien maar een idée fixe die zich op een verschrikkelijke manier in mijn gedachten had vastgezet en me bijna gek maakte – was de gedachte dat de nabestaanden van de slachtoffers en de moordenaars elkaar waarschijnlijk gewoon gedag zeiden of zelfs een goede gezondheid toewensten, want de meeste slachtoffers waren gevallen door verdwaalde of afgeketste kogels, en de gebruikte wapens waren zo licht dat ze niet verder droegen dan 800 meter. 'Het is zinloos om daarover te blijven tobben,' zei mijn vriend. 'Dat is het verhaal van alle oorlogen.' 'En al die idealen dan?' vroeg ik.
'De idealen worden naderhand bedacht door de intellectuelen, als de oorlog voorbij is,' antwoordde hij.
Zelf stapte hij dikwijls in zijn auto om tijdens het uitgaansverbod als een bezetene door de stad te rijden. Soms dacht ik dat hij dat deed om te laten zien dat hij een kerel was en maling had aan het risico beschoten te worden; of misschien deed hij het omdat het leven hem de neus uitkwam, of gewoon uit pure rusteloosheid – en dan riep ik een bezweringsformule: 'Kom niet meer terug!' Maar terugkomen deed hij altijd weer, onder het stof en broodmager, gelijk de mythologische Constantijn die uit het graf herrijst om zijn zuster Doruntina op te halen, en dan zei hij tegen me: 'Dat is de enige manier om de staat van beleg op te heffen.' Een tijd later vertelde Grabriel Roche, een Franse fotograaf gespecialiseerd in de Balkan, mij bedroefd dat een vriend en landgenoot van hem die werkte als fotograaf en verslaggever, in Bosnië op een ochtend tijdens het uitgaansverbod op straat was gedood. 'En wat dacht je,' vervolgde hij, 'hij was de straat opgegaan om een kopje koffie te halen, enkel een kopje koffie, en hij werd doorzeefd met kogels.' Zijn gezicht, getekend door verdriet, fascineerde me in het donker als een verre ster, maar ik zei bijna opgelucht lachend: 'Roche, vertel eens, is het dan niet de moeite waard voor een kopje koffie te sterven als je dorst hebt? En als ze je vragen waarom hij is gestorven, dan kun je zeggen: voor een kopje koffie, en niet voor een ideaal,' zei ik, met iets van minachting bij het uitspreken van dat laatste woord. Eerst begreep hij me niet, toen barstte hij, door zijn tranen heen, samen met mij in lachen uit.
Daar zat ik dus, in Saloniki. De oorlog (een andere naam zou ik voor die bloedige ongeregeldheden in ons land niet weten) was net voorbij. Ik wist dat alleen rust de voorwaarden zou kunnen scheppen waaronder men zich zou willen uitspreken en elkaar zou willen vertrouwen. Toch zou dat de nodige tijd en moeite vergen. Internationale liefde manifesteert zich het eerst als trots, en de mens komt achteraan. Mijn verblijf in Saloniki hield verband met een aldaar georganiseerde ontmoeting tussen de culturen van de landen rond de Middellandse Zee. Het zwaartepunt lag op proza, en daarom was ik hier uitgenodigd. Het Griekse organisatiecomité opende de bijeenkomst en kon, ondanks alle goede bedoelingen om de literatuur en de cultuur van de Balkanlanden op één plek bijeen te brengen, niet voorkomen een wat superieure indruk te maken. Vervolgens zouden wij, als vertegenwoordigers van de mediterrane culturen, om de beurt het woord krijgen om duidelijk te maken hoe volkomen onterecht en anticultureel de oorlogen waren die sommige volken, al dan niet met het gelijk aan hun zijde, op de Balkan wensten te voeren, en dat het onze intellectuele plicht was die te voorkomen. Inmiddels was het mijn beurt. Ik zal niet ontkennen dat de manier waarop men de 'nationale schuld' van een volk dat de rust van zijn buurvolkeren verstoort soms tracht te ontkennen, me ernstige zorgen baarde. Ik had het gevoel dat ik nauwelijks op mijn benen kon staan. In stilte bad ik om een goed en fris idee, dat ik met enige distantie, maar wel met de nodige virtuositeit, hoopte te kunnen presenteren.
Ik begon te spreken over de nieuwste tendensen in de Albanese kunst, over de onvoorwaardelijke literaire openheid, over figuratieve modellen die niet langer door een narratief historisme werden bepaald, over het interfererende en aan niets ondergeschikt te maken communicatieve vermogen van stijlfiguren. Over de ontwikkeling van een logica die werd opgebouwd op grond van logische elementen en niet op grond van enkele concrete feiten… Maar inmiddels had een Macedoniër – hij was dichter en leraar Engels, en wenste op een professioneel niveau zijn beheersing van een vreemde taal te tonen, reden waarom hij schijnbaar moeiteloos Engels sprak – zich met een wat ongepaste toespeling uitgerekend tot mij gericht, terwijl ik ook zelf wel wist hoezeer ik door een 'nationaal schaamtegevoel' diende te worden verteerd en probeerde mijn gedachten, hoe onvolmaakt ook, te formuleren, iets waarin hij mij op strenge toon onderbrak: 'Mevrouw, zijn er in Albanië eigenlijk wel mensen die dat soort literatuur kunnen lezen, gesteld dat jullie zo'n literatuur inderdaad hebben?' 'We hebben in Albanië allemaal leren lezen en schrijven, mijnheer,' zei ik en wist zo te voorkomen dat de paniek die ineens bij me opkwam, geheel bezit van me zou nemen.
De zaal barstte in lachen uit.
Na dat incident luisterden alle aanwezigen met liefdevolle aandacht naar wat ik te zeggen had, en enkele minuten lang scheen iedereen te zijn vergeten dat er in deze wereld ook nog oorlogen woedden. De Griekse voorzitter noemde de namen van enkele deelnemers die hierna het woord mochten nemen. Maar die weigerden. Morgen, zeiden ze, laten we morgen verder discussiëren. Het was een wonderlijk vacuüm dat ik had geschapen. Een lege ruimte tussen indolentie en voldoening. Maar juist toen niemand dat meer verwachtte, stond een van de genodigden op. Een Serviër, zoals hij zich voorstelde. Milisav Savic. Ik weet niet waarom ik meteen aandachtig luisterde. 'Dames en heren,' begon hij. 'Ik heb geen bijzonder onderwerp om over te discussiëren. Ik wil een vraag stellen. Eén vraag maar. Ben ik schuldig aan de oorlog in Bosnië? Hij liet zijn blik over de zaal rondgaan, maar zonder de mensen aan te kijken. 'Dames en heren, ik weet niet waarom, maar ik heb het gevoel dat ik inderdaad schuldig ben!' zei hij. Het werd rumoerig. Geschuifel van stoelen. Hij baande zich een weg tussen de rijen door, kwam naast me zitten en omhelsde me.
Het was een onmetelijk lange avond in Saloniki. De koelte van de zee leek de nog gloeiendhete gebouwen te willen bestormen. Ik wandelde hand in hand met de Serviër over het drukke trottoir waarop onze voetstappen leken te worden voortgezet door onze schaduwen, de enige duidelijke contouren van deze harmonie. 'Vertel eens, hoe is het in Bosnië dan toegegaan?' vroeg ik.Terwijl zijn haren door de wind in een nieuw model leken te worden geblazen, zei hij: 'Dat weet ik niet precies, ik heb niets gehoord. Maar toch, de Serviërs zijn schuldig. De Serviërs.' (Hij sprak het laatste woord met nadruk uit.) 'Zoals de mensen bij jullie vermoord worden, dat zie je overal,' vervolgde hij. 'Maar hoe dat bij ons gaat, en hoe de mensen daarna begraven worden, daar hebben jullie geen idee van. Bij jullie zijn de doden nog te herkenen, bij ons niet. Afgesneden oren, uitgestoken ogen, kapotgeslagen neuzen, uitgerukte tongen, alles wat je maar kunt verzinnen om iemand totaal te verminken…' We liepen een tijdje zwijgend verder.
'Maar wie z'n schuld is het bij jullie?' vroeg hij aan mij. Ik wilde al zeggen: de piramidefondsen, maar dat leek me zo leeg en zinloos. 'Ik,' zei ik vervolgens, 'Ja, ik. Ik had een lager intellectueel niveau dan ik van mezelf had verwacht.' Hij keek me verbaasd aan en vroeg het nog eens, toen begon hij te glimlachen. Hij sloeg zijn arm om mijn schouder en zo vervolgden we onze weg, opgaand in de onverzadigbare drukte van Saloniki.
