De dromen en het gat

 

KIM MEHMETI:

DE DROMEN EN HET GAT

Ten tijde dat de verschrikking genaamd Kosova op volle gang was, had ik geen zin om naar mijn kantoor te gaan. Niet alleen door de enorme droefenis die ik voelde en ook niet wegens de confrontatie met de onmacht om iets te ondernemen, te helpen of enigszins de tragedie die mijn Albanese volk meemaakte te verzachten, maar omdat voor mij onverdraaglijk werden al die journalisten die mij om interviews vroegen, die door en door bleven van alles en nog wat vragen, alsof ik meer dan zijzelf afwist van de verdere ontwikkeling van die tragedie. Toch kan men vaak niet ontsnappen, kan niet aan bepaalde omstandigheden die zich als een lot aan zijn leven plakken ontkomen: ik, de journalistiek en de journalisten waren allang een drieterm die leidde niet naar weet ik welke vruchtbare richting, hoewel het de functie uitoefende van een soort oplosbaar en min of meer nuttig probleem, gebaseerd op de driezijdige interesse.

Op de dagen dat in mijn geweten het huilen van de Kosovaarse kinderen, die ergens bij Bllacë (aan de grensovergang tussen Kosova en Macedonië) waren bleven steken, weerklonk, liep mijn kantoor binnen een journaliste, een vriendin uit Frankrijk en zodra ze mij zo bedroefd zag (wellicht verloor ze op dat moment alle hoop dat ze van mij iets zou komen te weten wat anderen nog niet wisten), begon ze over kunst te praten. Omdat ze wist dat ik in twee talen schrijf (zowel in mijn moedertaal, het Albanees, als in het Macedonisch), waarschijnlijk in de poging om achter te komen welke voor mij de eerste taal is, vroeg ze aan mij in welke taal ik droom. Even losgekomen uit de benauwde droefheid bevond ik mij in de wereld van mijn creatieve Macondo, antwoordde ik haar dat ik in het Albanees droom maar, als een van mijn Macedonische vriendinnen in mijn droom verschijnt maak ik gebruik van de gelegenheid om haar in het Macedonisch het hof te maken om haar geen excuus in de hand te leggen dat ze mijn verzoeken niet heeft kunnen verstaan. Uiteraard op dat moment moesten we beiden om lachen en dat gelach had een kolossale dimensie, het kwam in tijden van tranen, als een bloem midden in een woestijn. De laatste nachten, ging ik verder, geschieden mijn dromen in stilte, gasten doen de revue in mijn dromen zonder een woord te zeggen. En ineens herinnerde ik mij dat ik had gedroomd van mensen die in de modder van de stilte waren gezonken, naaste en verre vrienden die in mijn droom voorbij liepen alsof ze de spraakvermogen hadden verloren. En ook een menigte levende mensen die in gaten waren bleven steken en die niet schreeuwden en ook om hulp niet riepen. In deze streken zijn de woorden ontzien van hun betekenis, zei ik tegen mijn vriendin, wij voelen ons allemaal als in een diep gat gezonken waar we, na vele kreten, allemaal door de stilte zijn overmeesterd.

En nu, nadat na alle schijn de Balkanoorlogen beëindigd moeten zijn, herinner ik me vaak die verre en volstrekt toevallige ontmoeting, in een ongeschikte tijd voor inspiratieve gesprekken. In feite, weet ik niet of de herinnering aan die ontmoeting bij mij het gevoel doet leven dat ik in een diep gat leef waarvan je nooit uit kunt komen, of dat dat gevoel in mijn geheugen de herinnering aan die ontmoeting doet herleven. Tenslotte, de relatie gat-otmoeting is niet eens zo belangrijk in vergelijking met het besef dat men in deze streken aan het gevoel niet kan ontkomen dat hij tot de nek in het modder van de wanhoop is gezonken en de wetenschap dat hij tot een leven zonder toekomst is veroordeeld. Vooral de kunstenaar, degene die zijn eigen creatieve Macondo bewaakt met de wens om op die manier de mens in zichzelf en het menselijk gelaat bij de anderen te behouden. Met de wens, zo niets meer, om zijn "ex-grondgebied", de werkkamer, onaangetast te behouden!

Uiteraard, ook vóór deze bloedige oorlogen, behoorde de Balkan tot de culturele periferie ten opzichte van de rest van Europa. Maar niet in de negatieve zin van het woord. Integendeel, een periferie met alle positieve kenmerken die zo'n positie meebrengt: dankzij een regelmatige en onbelette communicatie met "culturele centra" die de Balkan soms van vers bloed en kleur voorzag, zonder deze laatste konden de culturele centra vaak niet functioneren. De culturele periferie van ooit veranderde in de laatste jaren in een gat waaruit men niet kan kruipen of waaruit je moeilijk eruit kan. Natuurlijk hebben dat gat de volkeren op de Balkan met eigen handen gegraven en daarmee zichzelf hebben geportretteerd in een tijd wanneer de klok achteruit telt, een gat dat vervolgens van alle kanten werd gedicht door het "Schengen-visum", het enige mogelijkheid om een vriend of een culturele manifestatie in de westerse landen te mogen bezoeken, in de centra waar een soort trend is geworden dat elke gerenommeerde uitgever een bijzondere, "exotische", editie bij te houden met werken van auteurs uit de Balkan, meestal gevuld met "live" relassen uit deze bebloede gebieden. Daarom kan je moeilijk uit dat gat komen zelfs als je officieel bent uitgenodigd om als "exotische" auteur ergens heen te gaan om anderen te vertellen wat is gebeurd en waarom, om je te laten zien als iemand die uit het gat is gekropen.

De laatste tijd, wanneer journalisten mijn kantoor niet meer zo vaak weten te vinden als ten tijde van de bloedige tragedie van Kosova, vaak veras ik mijzelf in momenten waarop ik zit te denken waarom de rest van Europa de confrontatie met de Balkan zo erg vermijdt. Wetende dat iemand die lelijk is nooit voor de spiegel wil staan, begon ik in slechts een logische verklaring te geloven: de rest van Europa wil in feite niet voor zijn eigen spiegel, de Balkan, te staan. Men vergeet daarbij dat zelfs als wij van de spiegel weg rennen, deze ziet ons gezicht!

Om van het onderwerp niet al te veel te wijken en opdat men niet denkt dat in dit gat geheten Balkan mensen zelfs het besef van volgorde zijn gaan verliezen, kom ik terug daar waar ik begon: mijn vriendin journaliste uit Frankrijk nodigt mij vaak uit om haar op te gaan zoeken en probeert mij ervan te overtuigen dat zo'n reis mij kan helpen om uit de wereld van "stille dromen" te komen en dat mijn dromen kunnen herleven met personages die de spraakvermogen hebben teruggevonden. Haar goedhartigheid en schoonheid kennende, twijfel ik er niet eens aan dat een aantal dagen met haar doorbrengen een goede geneesmiddel voor het helen van mijn dromen kan zijn. Vooral als het gaat om een vriendin die ooit de beste drank was die mijn dromen dronken maakte. Maar ik weiger elke keer haar uitnodiging en het lukt mij altijd om het met een of andere bezigheid te rechtvaardigen. Ik vertel haar niet de waarheid, dat ik duizelig wordt elke keer dat men het woord "Schengen-visum" noemt en dat ik mij als een uitgeputte bergbeklimmer voel elke keer dat ik besluit om mij tot een of andere westerse ambassade te wenden om een visum aan te vragen. Simpelweg heb ik het gevoel alsof ik probeer uit dit diepe gat vol kleverige modder te komen terwijl bovenaan handen staan die mij terugduwen daar waar ik eerst stond. Laat staan dat ik niet uit wil om daar voorgoed te blijven maar enkel om hen te vragen waarover dromen degenen die het benauwd krijgen van het lachen en niet van de tranen van de massagraven, die met litteraire genres en niet met gespannen gevoelens experimenteren. Ik kan mijn vriendin gewoon niet uitleggen dat ik dit gat niet zou verlaten zelfs als ik tot burgermeester van haar woonplaats zou worden benoemd. Niet dat ik zo gek op haar onmenselijke modder ben en dat ik het goede van het kwade niet kan onderscheiden, maar omdat ik weet dat ik enkel de kalender kan leven die mij behoort en kan enkel van de smaak van de modder waarvan ik ben ontstaan genieten. Anders gezegd, ik benijd niet degenen die bovenaan dit gat staan, ik geef ze geen schuld en ik denk er niet aan om boos op hen te worden. In één woord: ik heb medelijden met ze omdat ze moeten leven onder het gewicht van de angst dat soms iemand de spiegel voor zet waarin ze een deel van het gezicht van het beschaafde Europa, de Balkan, zullen zien!

vertaald vanuit het Albanees door Sherefedin Mustafa