Gedicht ‘De gezwinde’
De gezwinde
Liebende, euch, ihr in einander Genügten,
frag ich nach uns. Ihr greift euch. Habt ihr
Beweise?
Rainer Maria Rilke
In memoriam P.H.
Slak van steen en leem
tussen Afrika´s duinen
het gehucht van de ontmoeting.
In de schaduw van de schermen
maalden de lastdieren
hooi tussen hun kiezen
en de vrouwen maalden graan.
Zeven mannen lieten er hun armen vallen
toen ze namen begonnen te horen,
zeven zwetende dwazen,
haar namen in de lucht.
De vreemdeling at zijn ontbijt
en hoorde ook de minuscule trommel
van het bloed van buiten komen,
de zachte beroering van de lans
die de glimlach van de navel
langzaam doet ontwaken.
Zij begaven zich naar de afspraak
bespied door een oude vrouw,
hun ogen gewend aan het water
van de zon aan de einder.
Toen zagen zij haar komen
vanuit de zandheuvels,
een wondervogel met borsten.
Zij slaagden erin de ronde te maken,
die men leert door te kijken,
om de gazelle tot staan te brengen.
Zij wist alles al.
Hoe kon zij het niet geweten hebben!
Wij hadden het immers samen gedroomd
onderuit liggend in de rode armstoel
terwijl wij de onvolkomen moeder lazen.
Er vormde zich een cirkel voor haar,
knielend hief zij haar lippen
om de lauwe droppel te ontvangen,
de schok van elke extase,
de zachte angst gewond te raken.
Achter de vestingmuren
renden de meisjes
met het brood naar huis.
"Ik kwam om je te leren kennen"
schreef hij in het zand.
De ogen van die verschijning
antwoordden "dat is niet niks"
temidden van de stemmen van haar vrienden.
Mijn lot werd bezegeld
Die ene dag in Afrika.
Daarna danste de danseres
het Onze Lieve Vader op de vuilnisbelt
van mijn geboortestad, ik heb haar gezien:
ik zie haar nu nog voor me.
Een kneedster op blote voeten,
haar benen
waren in staat
iedere instabiliteit te weerstaan.
Een vogelvrouw die de wolken schudt
zodat het melk en wijn regent
op de koortsachtige daken.
De wijnpers van haar
vogelvrouwhart.
Wanneer zij in beweging komt
beweegt alles, wordt alles bewogen.
De rechtervoet
Opgeheven
(vijf harde hoofdjes)
Die vluchtige orde
Dat hoofd van haar op haar hals.
En de ochtendlucht begon te geuren
met het schuim van zweet,
haar in kegels verdeelde zweet,
de wonderen van de ontwrichting.
Ook waren er voornemens
om over die voorstelling te praten
en de werking van spiegels na te bootsen
maar de fonkelingen
waren werkelijk ondragelijk.
Zij was in beweging!
De danseres onsnapte van nature
door mij de heuvel van haar wreef te tonen
terwijl de razende vuilnisbelten
de horizon in rood en zwart ontstaken.
De herhaalde doornen van de dageraad
lieten in haar borsten sporen achter
als enige verklaring.
Ik kan haar dans horen
wanneer ik het licht mis:
Opnieuw is zij hier
broos als een zeepaardje
in een kleine zee van zaad en schuim.
* * *
De woorden die zij voor mij bewaarde,
"mijn vorm ligt in jouw handen."
Diagonal
Pedro Aguirre Cerda
vlak voor
het Leidseplein.
Dageraad, geeuwend, overwinnaars.
Wij walsten op het verlaten
podium van Café Müller
tussen de zwarte haarden
en niemand die ons iets zei.
In het zuiden was je toen mijn moeder,
mijn zusters, de oudste misstap,
die alle deuren opent.
Vaak hoor ik oude gebouwen
afgebroken met dynamiet
een naald, in flonkerend sepia.
Ik zie je nog steeds met je kleine mondje
(een rozeknop zou men zeggen)
en je naam glijdt zachtjes
over mijn lippen, net als het speeksel
van kinderen die de siësta slapen.
In die tijd
(het kan iets later zijn geweest)
zeiden ze me dat je een arme gek was
en lachten ze om mijn liefde voor jou.
Je had hun gezichten moeten zien!
Een nauw voertuig
voerde me over
de velden in vlammen
maar we vonden je niet.
Zelfs om mijn fluimen
moesten zij lachen.
Daarna heb ik zitten huilen
totdat ik weer in slaap viel.
* * *
In een gat in de muur gemaakt
op zijn maat, zingt een figuur.
Hij dronk dauw en tranen van een gewonde
vrouw, tot hij zanger werd.
Tralalá zegt hij terwijl hij zijn grote teen
beweegt, tralalá tralalá. Hij weet zich levend.
Zie je, hoe alles voorbijgaat, zo snel?
Het is normaal dat je opnieuw verschijnt,
zeker. Bovendien zijn er al je
brieven. De bries die mijn onderbuik
doet trillen wanneer ik De Beste
van je reïncarnaties kus.
Mijn heteroniemen maken zich zorgen,
de dames van de hoerenkast
die ik in de grot van mijn verhemelte herberg.
"Je liet me vlak bij het leven achter"
en meer van die hoogdravende uitdrukkingen,
waar je zo om lachen moest.
Afremmend, om beter het stralende
gezicht van de toekomst te zien.
Daarom zeg ik
wanneer de knoop het knoopsgat vindt,
wanneer de wind hard in mijn gezicht waait:
zonder jou had ik nooit
de toegang tot de woestijn gevonden.
(nee, ik ben niet met de karavaan meegegaan)
Luister naar me, ik weet dat je naar me luistert.
Hoewel het klakken van je tong
van deze wereld was
vulde de lading van je vingers
mijn ogen met tranen.
Niet voor niets zei je vaak
Ik ben niet bang in het donker*
in dat krot in Lima
bevend als een vondeling.
Alleen de goden
die in hun altijd slapen
zouden mijn dank kunnen dromen
voor het gekreun van je genot.
En wij renden je tegemoet,
verliefde horde,
allen vreemdelingen,
raaskallend door de duinen.
Wetende dat je zou komen.
La veloz
Amantes, a ustedes, en su colmarse mutuamente,
pregunto yo para nosotros. Ustedes se palpan. ¿Tienen pruebas?
Rainer María Rilke
A P.H. in memoriam
Caracol de piedra y barro
entre las dunas africanas
el caserío del encuentro.
A la sombra de los toldos
las bestias de carga
molían paja entre las muelas
y las mujeres molían grano.
Siete dejaron caer los brazos
cuando comenzaron a oír nombres,
siete lunáticos sudorosos
sus nombres de ella en el aire.
El extranjero acabó su desayuno
y oyó también venir de afuera
el diminuto tambor de la sangre,
los suaves toques de lanza
que van despertando
la sonrisa del ombligo.
Fueron saliendo a la cita
fisgoneados por una vieja,
los ojos acostumbrados
al agua del sol en el horizonte.
Entonces la vieron venir
desde las arenas,
ave fabulosa con senos.
Supieron hacer la ronda
que se aprende mirando
para detener a la gacela.
Ella lo sabía todo.
¡Cómo no habría de saberlo!
si lo soñamos juntos
echados en el sillón rojo
leyendo a la madre imperfecta.
Se hizo un círculo para ella,
arrodillada levantó los labios
para recibir el goterón tibio,
el sacudón de cada gozo,
el temor suave a ser herida.
Tras las murallas
las niñas corrían
llevando el pan a casa.
"Vine para conocerte"
escribió en la arena.
Los ojos de aquella aparecida
respondieron "eso es cosa seria",
entre las voces de sus amigos.
Mi suerte quedó echada
aquel día preciso en África.
La bailarina bailó entonces
el Padre Nuestro en los basurales
de mi ciudad natal, yo la vi:
ahora mismo la estoy viendo.
Amasandera descalza,
sus piernas
podían hacerse cargo
de cualquier desequilibrio.
Mujer pájaro que sacude las nubes
para que llueva leche y vino
sobre los techos afiebrados.
El lagar de su corazón
de mujer pájaro.
Cuando ella se pone en movimiento
todo se mueve, muévese todo.
El pie derecho
Suspendido
(cinco cabecitas duras)
Ese orden huidizo
La cabeza suya encima de su cuello.
Y el aire de la mañana se fue perfumando
con la espuma del sudor,
el sudor suyo repartido en conos,
los prodigios de la dislocación.
Hubo también intenciones
de hablar de aquel espectáculo
imitando el quehacer de los espejos
pero los destellos
eran francamente insoportables.
¡Estaba en movimiento!
La bailarina escapaba por naturaleza
ofreciéndome la colina de su empeine
mientras los basurales iracundos
encendían de rojo y negro el horizonte.
Las espinas repetidas del alba
dejaban marcas en sus pechos
como única explicación.
Puedo oír su danza
cuando me falta la luz:
Ella vuelve a estar aquí
frágil como un caballito de mar
en un pequeño mar de semen y espuma.
* * *
Las palabras que guardaba para mí,
"mi forma está en tus manos".
Diagonal
Pedro Aguirre Cerda
casi al llegar
a Leidseplein.
Madrugada, bostezando, vencedores.
Valseamos en el escenario
desierto de Café Müller
entre las negras chimeneas
y nadie vino a decirnos nada.
En el mediodía fuiste entonces mi madre,
mis hermanas, el traspié más antiguo
que abre todas las puertas.
Suelo oír edificios viejos
derribados con dinamita,
una aguja, en sepia fulgurante.
Suelo recordarte con la boca pequeñita
(se diría un botón de rosa)
y tu nombre se desliza suavemente
entre mis labios, igual que la saliva
de los niños durmiendo la siesta.
En aquella época
(pudo ser un poco más tarde)
me decían que eras una pobre loca
y se burlaban de mi amor por ti.
¡Hubieras querido ver sus caras!
Un vehículo estrecho
me llevó por encima
de los campos en llamas
pero no te encontramos.
Incluso mis escupos
les causaban risa.
Después estuve llorando
hasta que me dormí otra vez.
* * *
En un agujero hecho en la pared,
a su medida, un tipo canta.
Bebió rocío y lágrimas de mujer
lesionada, hasta que fue cantante.
Lirai dice moviendo el dedo gordo
de un pie, lirai lirai. Se sabe vivo.
¿Ves, cómo todo pasa, así de rápido?
Es normal que vuelvas a presentarte
es cierto. Están además todas tus
cartas. La brisa que me escalofría
el bajo vientre cuando beso
a La Mejor de tus reencarnaciones.
Mis heterónimos se inquietan,
mis señoritas de la casa de putas
que albergo en la caverna del paladar.
"Me dejaste cerca de la vida"
y otras frases para el bronce,
de aquellas que te hacían reír.
Desacelerando, para verle mejor
la carota rozagante al porvenir.
Por eso es que digo
cuando el botón da con el ojal,
cuando me pega bien el viento:
sin ti nunca hubiera dado
con la entrada al desierto.
(no, no me fui con la caravana)
Escúchame, sé que me escuchas.
Si bien el chasquido de tu lengua
era de este mundo
la carga de tus dedos
me llenaba los ojos de lágrimas.
No por nada solías decir
Ik ben niet bang in het donker
en aquel tugurio limeño,
temblando como una huérfana.
Solamente los dioses
que duermen en su siempre
podrían soñar mis gracias
por el gemido de tu gozo.
Y corrimos a esperarte,
horda enamorada,
extranjeros todos,
delirando entre las dunas.
Sabiendo que vendrías.
Vertaling: Carlos Lechner.
