Gedichten IV

Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu

Ora Pro Nobis
Mijn dierbare doden. Mijn geliefden.
De vlekken van hun lichamen op de mijne.
Mijn successievelijke lichamen sloten achter elkaar
verbonden die wij tegen beter weten in ondertekenden.
Mijn dierbare doden. Mijn aanstootgevende doden.
Iedere polsslag komt aan als een zweep.
Weke ruggegraat. Aswoensdag.
Over het aambeeld gebogen smeden vormden ons met behulp van vuur.
Roodgloeiend. Ze schroeiden ons vlees. Onze herinnering.
En ze gaven ons een naam. Een omheining. Een touw.
Een habitat waar wij konden vervreemden
en waar ze ons in ganzenmars lieten lopen.
Mijn dierbare doden. Mijn samenvattingen.
Mijn doden die zichzelf en mij smoren
onder het nauwgezette gewicht van hun lauwwarme, gebroken initiatieven.
Hun symbolische volgorde in de chronologie. Handen.
Handen en monden. Verkrampte handen. Levenloze. De palmen
omhoog. De monden smeken om een plaatsje tussen de herinneringen.
Steeds minder ik. Steeds meer opgelost in toevallige wateren.
Steeds vager silhouet in het kaartspel.
Mijn arme brave doden. Mijn inderhaast gecorrigeerde doden.
Hier ben ik. Zoals altijd.
Van buiten komen geluiden. Flarden van vluchtige gebeden.
De lange nacht schuift de grendels achter zich dicht.
Ik zal lang liggen janken in mijn doodstrijd.
Mijn dierbare doden. Treurige geliefden. Onhandige geliefden.
Hun lichamen en de mijne, het een na het ander dood.

 

Ora Pro Nobis
Mijn dierbare doden. Mijn geliefden.
De vlekken van hun lichamen op de mijne.
Mijn successievelijke lichamen sloten achter elkaar
verbonden die wij tegen beter weten in ondertekenden.
Mijn dierbare doden. Mijn aanstootgevende doden.
Iedere polsslag komt aan als een zweep.
Weke ruggegraat. Aswoensdag.
Over het aambeeld gebogen smeden vormden ons met behulp van vuur.
Roodgloeiend. Ze schroeiden ons vlees. Onze herinnering.
En ze gaven ons een naam. Een omheining. Een touw.
Een habitat waar wij konden vervreemden
en waar ze ons in ganzenmars lieten lopen.
Mijn dierbare doden. Mijn samenvattingen.
Mijn doden die zichzelf en mij smoren
onder het nauwgezette gewicht van hun lauwwarme, gebroken initiatieven.
Hun symbolische volgorde in de chronologie. Handen.
Handen en monden. Verkrampte handen. Levenloze. De palmen
omhoog. De monden smeken om een plaatsje tussen de herinneringen.
Steeds minder ik. Steeds meer opgelost in toevallige wateren.
Steeds vager silhouet in het kaartspel.
Mijn arme brave doden. Mijn inderhaast gecorrigeerde doden.
Hier ben ik. Zoals altijd.
Van buiten komen geluiden. Flarden van vluchtige gebeden.
De lange nacht schuift de grendels achter zich dicht.
Ik zal lang liggen janken in mijn doodstrijd.
Mijn dierbare doden. Treurige geliefden. Onhandige geliefden.
Hun lichamen en de mijne, het een na het ander dood.

 

Dies Irae
Het oog is het landschap dat zich boven hem samenpakt. Hem in een hoek drijft.
Het oude verbond is verbroken en onthuld stervend
dat het landschap rond is. Dat het oog rond is. Dat dit inzicht
de onverschillige onmetelijkheid niet wegneemt.
Mijn kinderen hebben hun embryo's geamputeerd. Zij besloten
met hun voorrechten op te groeien tussen toeval en angst.
Zelf evenzeer toevallige passanten ontdekten zij dat ze alleen zijn. Zij springen.
Zij breken. Schreeuwen. En mijn buik schrikt hevig
van de grote gezwollen pupil van de cycloop.
Oh Odysseus, de terugkeer naar Ithaka valt ons zo zwaar!
Al die zieke lichamen die liggen te rotten uit naam van de overleving!
Mijn kinderen zoeken hun eiland in mijn hoeken. Zij snijden af.
Zij hakken. Zij beven. Zij zoeken in mij naar het landschap
dat rond is voor het oog. Het oog is het landschap. Dit inzicht
redt ons niet van de priemende aanslag. Van de scherpe lans.
Oh, Odysseus, dit felwitte zand veroorzaakt zoveel verblinding!
Zoveel lege oogkassen!
Zoveel treurige lijken die op het strand liggen te wiegen!
Zoveel! Zoveel pijn doet deze terugkeer naar Ithaka!