Gedichten III

Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu
 

De Ogen
De ogen van de vluchteling,
wijdopen, geen vleugje licht,
drijven eeuwig op de wind,
als een boom waarvan de wortels,
de pijnlijk ontvelde wortels,
voor altijd buiten de aarde zijn.
Door het clair-obscur op de foto's
zijn de ogen van de vluchteling, de paria,
die alleen de bochten van de weg kent,
twee wazige schachten die vechten
tegen de wanhoop.

 

Gedicht van de slingeraar
Ik slinger stenen tegen het dove oor.
Het veranderlijke oor. Van beide werelden.
Dit is de eenzaamheid met haar geknetter.
Ik geef signalen naast de geduldige dwaas die op de heuvel ligt en
met de arme gek die haar zorgen oplapt op een bank in het park.
Door de afgepeigerde vingers. Van de gebroken weefster. Druppelen de flarden.
De eindkroniek van de verlatenheid.
Ik zeg haar dat zij op me moet wachten.
Dit is niet het moment om te sterven in de verlepte schaduw van de populieren.
Ik slinger stenen tegen het dove oor.
Het bloedende oor. Van deze wereld.
Deze bolle wereld die zijn rug toekeert.
De plattegronden om uit het labyrint te ontsnappen, zijn weggeraakt.
Ik slinger stenen: ik ben de gekke vrouw in het park.
Ik ben de aftandse dwaas die op de heuvel ligt.
Ik ben het fatale lied voor Eleanor Rigby.
En ik ben de bloemlezing van allen die eenzaam sterven. Zonder door de tunnel te gaan.
Ik blijf stenen slingeren. Ik ben moe en ga door.
De gekke vrouw toont schaamteloos de tandenloze grijns van haar walging.
Zij draait haar tas binnenste buiten. Zij strooit stuk voor stuk haar handvol vergeten dingen uit.
Ik zeg haar dat zij op me moet wachten:
Dit is niet het moment om te sterven in de verlepte schaduw van de populieren.
Ik verdraag deze vrede als bij een drenkplaats niet. Noch de ronde schuld die aan de appelboom hangt.
Noch de pijl die op mijn hoofd wordt gericht.
Ik slinger stenen. Misschien vinden ze weerklank.
Misschien worden ze opgeslokt door de bodem.

 

De gevallen engel
David. Zie je.
Hoe de laatste paarden van de middag steigeren.
Hoe ze in opstand komen.
Hoe de vraatzuchtige trompetten triomfantelijk schetteren.
Maar ik herinner mij niet meer hoe de dingen een naam krijgen.
Ik weet het echt niet meer.
De kleren waarin ik verder moet leven vergaan van schande.
Nog een engel erbij.
Een engel die uitgeput raakt. In het uitgeputte hof van de engelen.
David. Zie je.
Hoe de laatste paarden in doodstrijd zijn. Hoe zij gehoor geven aan de triomfkreet van de trompet. Zij verkondigen dat er gevlucht moet worden. Het geeft niet waarheen.
Het geeft niet naar welk miniatuur-land. Naar welk plan.
Of welke luchtspiegeling. Ik wil alleen maar vluchten.
Ontsnappen aan de puinhoop van de rampspoed thuis.
Als ik hun de gave van het woord kon weigeren. Want zij hebben zoveel gelogen.
Zij hebben ons zo verraden. De hoop is zo breekbaar. Zo breekbaar is het beloofde land. De engelen gaan in zwermen in ballingschap.
Zij verwerpen het moment van de onthullingen: er is zoveel tegen ons gelogen.
En ik ben een gebroken engel die zich door de riolen voort laat rollen.
Het smerige water is slechts één enkele vervalste waarheid te midden van vele leugens.
Kruimels. Ik benoem alleen kruimels. Het is heel ernstig 37 jaar te worden.
En een gebroken engel te zijn. Razend van het wakker liggen en het huilen.

 

Variatie op Helena
De oorlog die ter ere van mij werd ontketend, was amper een offergave.
Een hulpmiddel van de haat op een plaats waar mijn huid zich niet bevond.
Verstijfd. Verkild. Met ijle tulen lappen. Verweg. Ik rustte niet.
Kreten. Lansen. Karren hebben mijn droom verwoest.
Geen enkele nachtegaal. Geen enkel gezang. Geen enkel aardig woord.
Lichtgewicht. Mijn bleke smeekbede leidde tot niets. Ik was
de balling. Alleen mijn naam zwierf rond.
Uit mijn naam doodden de mannen. Bewijs van mijn onschuld
was het blanke gebied waar ik hem duizendmaal smeekte en hem duizendmaal
vervloekte, de Man. Zijn dwaasheid. De troep paarden.
Het om mijn schim vergoten bloed. De mannen hoorden mij niet.
De mannen. De lompe rechters voelden zich gelukkig. Zij voerden oorlog.
Mijn huid was daar niet. Ik ben nooit in Troje geweest.
Ik was niet meer dan een schim.


Smeekbede tegen de angst
De stem vliegt rond. Zijn breekbare marionet met onzichtbare draden.
Heel dunne naalden borduren voorzichtig in een zacht clairobscur
op het kleed van de tijd. Van de tijd die ons verlaat.
Die ons hoog optilt. Die soms. Toevallig. Ons vermenigvuldigt.
Langzaam. Heel langzaam. Licht. Ik kijk om mij heen.
Ik zing deze smeekbede tegen de angst. Tegen de angst
van de man die zich voortsleept. Fluit. Opnieuw spuugt. Vloekt.
Opnieuw spuugt. Looft. Pijn heeft. Mijn medelijden opwekt.
Voorover buigt. Mij opzij schuift.
Tegen jou mijn smeekbede. Smeekbede tegen de angst.
Mengeling van doodsangst en vreugde. Van gebroken kracht.
Tegen mijn donkere zijde. Tegen het stille water. Tegen jou.
Tegen alles. De stem. De stem. De breekbare marionet.
De zwakke wijzer die afhankelijk is van de stem. De stem op zijn as.
Hier verlaat ik de zachtmoedige zinsnede.
Hier komt de stem. Langzaam. Langzaam juicht de stem.
Verandert in een grimas. Keert terug naar de nostalgische kleuren.
Wij die zo dood waren smeken om het vuur
en wij keren huilend naar het oog van het water terug.