Gedichten II
Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu
Lofdicht op de Schoonheid
Geen bloemen meer. Geen vruchten. De wortel en de herinnering zijn verdwenen.
En nu opeens wil ik bezwijken voor het hevige wonder van mijn roos.
Mijn kardinale roos. Die van de winden.
Een purperen nervositeit slaaf tussen twee bladzijden.
Ik weet niet waar die zwanekreet vandaan komt.
Ik weet ook niet waarover ik moet liegen.
Ik weet niet of ik lieg. Ik weet niet of een woord als verbindingselement kan dienen.
Als brug waar ik niet overheen ga en waarmee ik mezelf verraad. Een mens. Een verdwenen schakel.
Mens die een van onderaf blindelings geopende bres is.
Er ontstaat een onnoembaar punt tussen twee stations.
Dit is mijn roos. Zuivere tweekoppige schoonheid. Dit is opnieuw mijn roos.
Kalm kruispunt waar alles mogelijk is. Alles is risico.
Iedere sprong is het leven. Volmaakt labyrint.
De heel fijne draden leiden meedogenloos naar de terugkeer.
Waar alles oorsprong is. Embryo's van de vergiffenis waarmee ik voedsel geef
aan de scherpe gewoonte van mijn roos. De roos veroordeelt ons
tussen haar bloemblaadjes. Noodzakelijke genade. De oliën. De wierook.
De toorts in de lucht licht het ritueel bij. Het offer.
De ogen in hun kassen kunnen niet meer verliefd worden.
En zij vallen. Opgeslokt. En hongerig. En gelukkig.
Omdat ze zich hebben laten offeren door de schoonheid.
Er zijn welsprekende gebaren in overvloed.
Mogen zij ongewapend deelnemen aan deze oorlog.
Mogen de instrumenten zich laten meeslepen.
Kreunt u niet. Redetwist u niet. Waartoe? Waartegen ons verdedigen?
Mijn handen liggen berustend op de onvoorzichtige borst.
Fantastische eigenschap van de verlatenheid. Op de knieën. Vrouw. Voor de roos.
Roemloos. Blazoenloos. De eenzaamheid verdrinkt in het mysterie.
Daar begint de mens. Hij eindigt er. Hij voert een woeste strijd
met de zuiverheid. Opnieuw voor de roos. Het is het begin. Het einde.
Zijn kelk pluk ik voorzichtig van mijn vingers af. Hier ben ik.
Daar is de roos. De schoonheid. De onverwoestbare roos van de winden.
Liefdeslied voor moeilijke tijden
Moeilijk om te schrijven ik hou waanzinnig veel van je.
Tot in mijn merg. Wat zou er met mijn handen gebeuren
als ze de melodieuze magie van jouw lichaam stelen?
Moeilijk. Heel moeilijk een liefdesgedicht in deze tijden.
Jij bent er gewoon. Overduidelijk.
Ik ben er gewoon. Scheefgegroeid. Op de loer.
En wij zijn er gewoon. De wet van de zwaartekracht spaart ons niet.
Het is moeilijk in deze tijd ik hou van je te zeggen. Ik hou dringend van je.
Ik wil een terzijde. Zonder twijfels en zonder valstrikken.
Om te zeggen ik hou van je. Zo. Simpel.
En dat jouw liefde mij beschermt tegen het nachtelijke gejank
wanneer de koorts mij als een krankzinnige wolvin meesleept.
Ik wil niet gekweld worden door een gebrek aan tederheid.
Maar liefste. Wat moeilijk is het te schrijven dat ik van je hou.
Zo. Temidden van al dat grijs. Al die bochels bij elkaar.
Hoe kan ik helderheid inademen.
Deze stem die zo versleten is weer doen klinken.
Die oude gewoonte om te zeggen ik hou van je.
Zo. Simpelweg. Oeroud. Bedoel ik.
Als het allemaal zo moeilijk is. Als het allemaal zo pijnlijk is.
Als een mens. En nog een mens. En dan nog een. En nog een.
De ruimtes vernietigen waar de liefde zich verborgen houdt.
Als het niet zo moeilijk was. Moeilijk en verschrikkelijk.
Als het niet onmogelijk was mijn razernij te vergeten.
Mijn horloge. Zijn getiktak. De weg naar het schavot.
Mijn belachelijke uitspraak met dit valse accoord.
Als het niet zo moeilijk was. Moeilijk en verschrikkelijk.
Zou ik dit gedicht met zijn overdreven cadans vormgeven.
Als het zo eenvoudig was te schrijven dat ik van je hou.
Het gezicht in de menigte
Zien jullie niet dat ik naakt loop? Zien jullie niet dat ik mijn kleren
in de lawine heb achtergelaten? Mijn glimlach van brave courtisane?
Zien jullie soms niet dat ik naakt ronddwaal. Met vertrokken gezicht.
Dat doorzeefd is van applaus achter de spandoeken?
Zien jullie niet dat ik niet meer naar de oorsprong terug kan?
Buiging van de stam. Eens zien. Buiging van ledematen. Eens zien:
waarom kijken jullie niet? Waarom wijzen jullie niet met je vinger naar me
als ik me naakt aan deze menigte vertoon die blind is.
Doof. Stom. Belonen ze mijn naaktheid? Hebben ze het soms niet in de gaten?
Zien jullie niet dat ik naakt loop. Zonder onderbreking. Zonder rust.
Maar waarom juichen jullie mij toe als ik zeg dat ik naakt ben?
Ik ben naakt. Ik schreeuw. Gun mij mijn hoop.
De naakte hoop die mij beschermt.
Aanroep
Ik voel me als het huis van de boswachter
waar de bijl de schuld heeft en de bomen vallen
Lina de Feria
Niemand klopt aan mijn deur. Niemand komt mij slaan.
Vervloeken. Liefhebben. In mijn hand huilen.
Niemand wordt rood als ik vloek. Als ik God loochen.
En naamloos wend ik mij naar de deur.
Wagenwijd open geblokkeerd in zijn sprakeloosheid.
Niemand deelt mijn lot van perron. Van baanwachter.
Van vergeten kiezelsteen. Verwarde grasspriet.
Niemand verbindt zich met mijn staat van beleg.
Buiten is een licht. Een open raam.
Mijn deur. Zijn sprakeloosheid. Zijn ijzeren kracht.
Het is mijn voornemen. Deze stilte waaruit niemand mij bevrijdt
is angstaanjagend.
Het volgende station. Was ook een leugen.
