Gedichten I
Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu
Het Laatste Avondmaal
De lucht ruikt duidelijk naar rampspoed. Ik speel met kaarten
die niet van mij zijn. Aan mijn rechterkant. Stijfjes. De Heilige Familie.
Als een strop om mijn nek. Mij omringend. Mij verstikkend.
En zij zijn zó zwaar. God. En zij doen mij zó'n pijn. En zij verlammen mij
met hun pathetische gezichten. Hun nobele gebaren. Onder hun lichte masker
en hun zwijgzaamheid vermoed ik zwarte plekken. De lucht ruikt naar mest.
Angstaanjagende heksensabbat die de zintuigen afstompt. En het doet zo pijn. God.
En zij drukken hun stempel van opgewonden hemelbewakers op ons.
De lucht voert geuren van messen aan na de ochtendstond te hebben doorkliefd.
De lucht ruikt naar schanddaad, Naar eenzaam kind. Naar grijs. Naar warme as.
De lucht ruikt nar avondmaal. Oneindig. Treurig. Natgeworden brood
van het laatste avondmaal. En zij drukken zo. God.
Het bestek dat in het krijtstaat, schraapt zo over de huid.
Ze genieten onverstoorbaar van jouw bloeddruppels die zich mengen met de wijn.
De lucht ruikt naar namen. Naar tijdloze namen. Voorspellers vereeuwigen de vrede in de vensters.
Aan mijn rechterkant. Eeuwig. Levert de Heilige Familie strijd om de resten
van de zoon die ik niet was. En zij krabben zo. God. En zij vinden zichzelf zo fantastisch.
De wind draait. Draagt de dobbelstenen met behulp van verbazing.
Het scherp van zijn blad snijdt de hoop af. De lucht ruikt naar roest.
Naar duidelijke rampspoed. En ik weet dat ik speel. God. En ik weet dat ik mezelf
voor de gek hou.
Het circus
Komt u binnen. Dames en heren. Komt u binnen. Blijft u niet staan. Loopt u door.
Loopt u tot helemaal achterin door. Het wordt een grandioze voorstelling
U zult de hagedissen zien die zich krabben zonder een spier te vertrekken.
U zult eindelijk zien war er achter mijn schermen gebeurt.
Komt u binnen. Dames en heren. Komt u binnen. Blijft u niet staan. Loopt u door.
Ik allerarmzaligste clown zal voor u lachen. Ik zal voor u huilen.
Ik zal de scharnieren laten springen en alleen voor u
zal ik de danseres zijn die naakt ronddraaft
en de fonkelende boog van haar venusheuvel laat zien.
Haar ronde heup. Haar opgerichte borsten
zijn ook voor u. De hele santenkraam.
De hele heisa. Dit gespannen netwerk van draden, het is allemaal voor u.
Deze clown dien ik u op als feestmaal. Klatergoud. Versiering.
Eersteklas offergaven voor de leeuwen.
Komt u binnen. Dames en heren. Komt u binnen. Blijft u niet staan. Loopt u door.
U zult zien hoe ik uw glazen in goud veranderd.
En als travestiet van de haat zal ik er volgaarne tegenaan trappen.
Ik zweer plechtig: het zal geen pijn doen. Maar komt u binnen.
Mijn God. Wat is een circus zonder publiek?
Zonder u allen die uit medelijden applaudiseren.
Uit sympathie. Hypnose. Angst.
Komt u binnen. Komt u allemaal binnen. De tent staat al klaar.
En het verstelwerk is ook klaar. Het haastige lapwerk.
Komt u binnen. Dames en heren. Komt u binnen.
De duimen die naar beneden moeten wijzen, opgelet.
De duimen die omhoog moeten wijzen, opgelet.
U zult al uw in duigen gevallen dromen zien.
Het is zuiver optisch bedrog. U zult zien hoe ik u met mijn hoed
van uw armzalige identiteit beroof.
Hoe mijn konijnen voor uw idiote rebellie betalen.
Komt u binnen. Dames en heren. Blijft u niet staan. Loopt u door.
Loopt u tot helemaal achterin door.
De wraakengel
- voor Hector David -
Het verschrikkelijke. Het overweldigend mooie. Het vernietigende is hier.
De engel die mij aanraakt. Lichtkring. Aanwezigheid van de onschuld die ons treft
als de boogschutter tussen twee bliksemflitsen. Ik ben ongelukkig. Sterfelijk.
Onder het masker vermoed ik het allerdiepste verraad van mijn lichaam.
Ik wordt ingewijd in het verschrikkelijke. Verlicht.
Ik wordt bepaald door de vrouwen die ik niet ben. Aangezien
iedere engel de vernietiging aankondigt. Ik klem mij vast aan de palen.
Ik laat ze mijn arme rug openhalen. Laten mijn voeten zich voortslepen.
Het is mijn 'via crucis'. Weer een stap. Een stap naar de voorkamer van de hel.
Hoe moet ik de bijtende liefkozingen van het vuur verduren.
En waarom zou ik het lichaam niet om het lichaam aanbidden. De mens op zich.
Het trillende riet. Variaties van de handeling waarbij ik mij opricht.
Noodlot van de acrobaat. Het mooie. Het verschrikkelijke.
Het ondraaglijk eeuwige blaast zijn belletjes. Wat ben ik een zwakke zucht.
Zo smekend. Wegzinkend in het lichaam om het lichaam.
In een poging te vluchten. En er is geen uitweg.
Je ziet een glimp van de resten van oude schitter.
Misschien is er geen licht meer. Misschien zal er geen vuur meer zijn.
Misschien ga ik terug naar het land van de eeuwige sneeuw.
Naar mijn vermomming van weesmeisje in de winter. Een engel in het want.
Stilzwijgend accoord van arme blinde bard.
Bereid om mijn vuiligheden te executeren.
Mijn daden te patenteren. Mijn onuitgegeven angsten.
Een engel is de smidse. Weest bevreesd voor de Schoonheid.
Daarin zijn de lichtheid en de zwaarte geconcentreerd.
Hier is het verschrikkelijke. Het vernietigend mooie.
En ik weet amper of ik het kan verdragen.
