Essay ‘Beginselverklaring’

Meneer de President van de Staatsraad:

Ik heb in de loop van deze eenendertig jaar veel gehoord en gelezen over de "rol" van de intellectuelen in de maatschappij. Er is veel geschreven en gezegd, maar er is weinig gedaan, behalve dat er geprobeerd is op goede voet te blijven staan met alles wat zich op het moment voordeed. Uit ervaring weten we dat er een belangrijker oordeel bestaat dan het praktische oordeel dat een mens velt over een ander, die zich bijna altijd in mindere omstandigheden bevindt, en dat is het oordeel van de geschiedenis, een oordeel waartegen niets in te brengen is.

Na tien jaar denken, proberen een richting te geven aan ideeën in de algehele chaos, zoeken naar waarheden die steeds ongrijpbaarder worden, steeds weer bezwijken voor de fysieke angst, voor de gevolgen van een integere stellingname, besluit ik, voordat ik er moreel en intellectueel aan ten onder zal gaan, dat te redden wat, uiteindelijk belangrijker is in mijn viervoudige functie van schrijfster, moeder, vrouw en Cubaanse (waarbij ik uit moet verduidelijken dat ik slechts één van deze functies zelf heb kunnen kiezen: die van moeder). Ik weet dat aan alle functies evenveel risico's kleven, omdat ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ik kies ervoor om de schrijfster, oftewel de intellectueel, aan het onverbiddelijke oordeel van de geschiedenis te onderwerpen. Omdat ik een rationeel wezen ben, bewust van mijn individualiteit en gewoon ben na te denken, weiger ik pertinent, met het enige wapen waarover ik beschik (het enige wapen dat me interesseert en dat ik haalbaar acht: Het Woord) deel uit te maken van wat naar mijn mening een "gesloten systeem van onmogelijkheden" is, een systeem dat geen enkel ander alternatief kent dan de onderwerping aan een ideologisme in primitieve staat, waarin tegenstellingen de overhand hebben. Het zelfstandig naamwoord 'dood' wordt veel vaker gebruikt dan zijn antoniem 'leven', hetzelfde gebeurt met oorlog en vrede, haat en liefde. Uit principe deel ik niet de officiële leuzenterminologie. Ik weiger om in een wereld die naar alternatieve oplossingen zoekt, waarin ik woon en waardoor ik recht heb op mijn eigen maatstaven, mijn stem te verenigen met het koor dat (geplaagd door een vreselijke epidemie: De dubbele moraal) uitroept: "waar dan ook, hoe dan ook en waarvoor dan ook…" Wat dat betekent? Ik weet het niet, dat gaat voorbij aan alle logische redeneringen. Ik geloof niet dat het socialisme in crisis is; dat wat nooit bestaan heeft, kan niet in crisis zijn en daarom heeft men het mooie dat in de ideeën ervan werd voorgestaan nooit in de praktijk kunnen aantonen. Ik erken dat het de moeite waard is mijn leven te riskeren voor de ethische balans van deze postulaten, alhoewel ik niet ontken dat de martelaren van de generatie van de jaren vijftig hetzelfde vaandel droegen toen ze besloten te sterven voor een Vrij en Democratisch Cuba. De doctrine die zich in 1917 het Marxisme-Leninisme kon noemen, is vanaf 1924 ontaard in een schrikwekkend monster, waarvoor ieder menselijk wezen met het kleinste beetje gevoel zich schaamt. Vandaag, 15 november 1990, was eenendertig jaar geleden de veelbelovende "toekomst" waarvoor menigeen zijn heden opofferde.

Nu – vraag ik mij af – voor welke onzekere "toekomst" moet worden opgeofferd wat men toentertijd "nieuwe generaties" is gaan noemen, als alles dat er geboden wordt een pathetische uiting van "regressieve dialectiek" is, gereduceerd tot de leuze Socialisme of de Dood? Oftewel: Socialisme versus het Leven? Welk socialisme? De dood? Daarvan bestaan veel varianten; van de morele en geestelijke verminking tot de fysieke verdwijning van individuen. Is er een keuze mogelijk? We mogen niet accepteren dat een heel volk, behalve wanneer het zich in een alarmerende achteruitgangsfase bevindt doordat het in het nauw is gedreven (een logisch syndroom dat voortvloeit uit manipulatie en iets dat daaraan het meest verbonden is: desinformatie), zonder erbij na te denken in koor de aankondiging van zijn eigen uitroeiing herhaalt. Er moeten volgens mij wettiger, en vooral menselijker varianten bestaan dan die van de kudde die zich op het hypnotische ritme van de klanken van de fluitist de zee instort. Waar dient die veronderstelde, tot niets leidende "onvoorwaardelijkheid" toe, die wijst op een vormeloze, vervreemde massa, die zelfs de essentie van zijn eigen oorsprong ontkent? Is dat alles wat men dit volk te bieden heeft? Nee. Als dichteres, als intellectueel, als mens, weiger ik het ten enen male dit soort "onheilslot" te aanvaarden dat, zoals Jean Paul Sartre zegt, "… niets anders is dan een ideologie in onbeschaafde staat: ze doet zich voor onder haar valse objectiviteit, als een verwerping van alles dat voornemens zou kunnen zijn de "status quo" te veranderen. Het moet de opstandigheid tegen de sociale orde ontmoedigen, door die voor te stellen als de uiting van een natuurlijke orde; die zin toont de Cubanen hun ellende in de vorm van hun lot." Het verschil ligt daarin dat het voornoemde citaat overeenkomt met de reactionaire uitspraak "Zonder suiker geen land". Wat zou de filosoof gezegd hebben over de afschrikwekkende en totalitaire leuze "Socialisme of de Dood"? De volgorde is omvergeworpen: zij die eens het beeld van de "revolutionairen" belichaamden, zijn nu de conservatieven, tot niets genegen dat ook maar de mogelijkheid van een verandering zou kunnen betekenen.

In zulke omstandigheden is de term Revolutie, in ieder geval in Cuba, niet meer bruikbaar, want die komt niet overeen met de definitie die daaraan in Spaanse woordenboeken wordt gegeven. Daarom zijn Revolutie en Revolutionair, omdat ons iedere vernieuwing onthouden is, voor ons ver achtergebleven termen, vergeten en ondergedompeld in de vervelende dagelijkse sleur. Een verstofte, verroeste en verstarde term die in een andere tijd model stond voor de hoop die wij koesterden. Is dat wat nu in Europa gebeurt dan geen Revolutie?. Het is net als alle andere revoluties onderhevig aan successen en vergissingen, maar geeft in ieder geval de etymologische essentie van het woord, of beter gezegd: van het Concept, weer. Meneer de President: Ik ben het er niet mee eens. Ik ben het niet eens met de wanorde die veroorzaakt is in mijn land. Ik kan het niet eens zijn met zulke ongelukkige zinnen als: "Fidel is onze vader. Fidel is de vader van alle Cubanen". Of: "Met Fidel is met het Vaderland". Vaderland is meer dan een etiket dat onderhevig is aan veranderingen al naar gelang de spreker die op dat moment aan het woord is. Vaderland is een gevoel dat al ver voor 1927 in ons geworteld is. Het is onmogelijk om, vanachter een microfoon, al onze inspanningen te ontkennen en tegelijkertijd te roemen. Er moet diep nagedacht worden, gezocht worden naar menselijke oplossingen. Eenendertig jaar "noodtoestand", oorlogspsychose, vechten om simpelweg te overleven, is te lang, we zijn uitgeput, gestressed door het gebrek aan directe vooruitzichten.

Waar gaan we heen? Ik weet het niet. Ik geloof dat niemand het weet, maar ik weet wel dat de catastrofe kan en moet worden voorkomen. Er kunnen geen grotere opofferingen geëist worden zonder dat daar iets voor in ruil wordt gegeven. Er kan niet worden toegestaan dat ons volk (een concept dat meer dan eens gebruikt is met een paternalisme dat grenst aan vernedering) mechanisch JA blijft zeggen, indien het geen andere voorrechten aangeboden heeft gekregen. Door de verantwoordelijkheid die men krijgt als men boeken schrijft die worden beoordeeld en gelezen door anderen, door mijn positie als intellectueel, voel ik mij verantwoordelijk voor de "rol" die mij ten deel valt op mijn historisch moment. Mijn standpunt is: NEE, IK BEN HET ER NIET MEE EENS. Het moet afgelopen zijn met het experimenteren met de levens van miljoenen mensen.
Dit is mijn beginselverklaring.

MARIA ELENA CRUZ VARELA
vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu