Brief aan Fidel Castro

Brief geschreven op 27 september 1991 door María Cruz Varela
Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu

Wat jammer, meneer Fidel Castro, dat u zich vergist in waar uw tegenstanders zijn; wat een blamage dat u denkt dat de oppositie zo ver van Cuba verwijderd is! Nee, meneer Fidel Castro, de Cubaanse oppositie komt niet uit de Verenigde Staten en bevindt zich daar ook niet, hoe aanvechtbaar de positie van dat land ook is. Uw oppositie, dat bent u zelf en uw eigen tegenstrijdigheden. Uw oppositie is de geconstateerde economische, politieke en sociale mislukking van tweeëndertig jaar experimenten.

Wij zijn uw oppositie, wij, tien miljoen Cubanen die verschrikt om ons heen kijken, die iets zoeken dat ons kan doen geloven in een mogelijke redding van onze eigen levens en die van onze familieleden, de redding van onze waardigheid en onze overleving als beschaafd volk. Dat is geen eenvoudige oppositie: het spijt me dat ik niet over de tijd en de middelen beschik om, één voor één, alle elementen te verzamelen waardoor het aantal handtekeningen onder deze brief eindeloos zou zijn.

Ik ben degene die nu spreekt. Ik neem, geheel voor mijn eigen verantwoording, de stem op me van de honderdduizenden politieke gevangenen die verrekken in de gevangenissen van mijn land; de stem van degenen die nu geen stem hebben, omdat ze dood zijn gegaan in de gevangenis of tijdens een poging zich te redden door wanhopig de Straat Florida over te steken; de stem van degenen die hun angst overwinnen en hun eerste stappen zetten. Een schrikwekkend wezen. Wat vreselijk is de weerspiegelde blik van een mens die kijkt naar zijn eigen gezicht en zijn angst ontdekt. De Cubaanse nationaliteit heeft een enorme plastisch chirurgische ingreep nodig om zijn gelaat te herstellen!

Er zullen jaren voorbij gaan voordat velen er achter komen dat ze in nevenprodukten zijn veranderd. Maar ik, ik besta. Ik praat. Ik schrijf. Ik verzet me. Ik zal niet stoppen met schreeuwen; ik verzet me tegen het systeem dat u vertegenwoordigt; ik verzet me tegen de barbaarsheid die we opgelegd krijgen; ik verzet me tegen u, omdat uw onverantwoordelijke leiderschap voor anderen een excuus kan zijn om tussenbeide te komen en onze problemen "op te lossen".

Ik ben de CIA niet. Ik vertegenwoordig hun belangen niet. Die interesseren me niet en ik ben ook niet geïnteresseerd in de onveiligheid van de Staat en in de psychologische angst die u ons tweeëndertig jaar lang geduldig heeft toegediend als een brute en dodelijke inenting. Het is mijn plicht u en de nationale en internationale opinie duidelijk te maken dat er wél oppositie in Cuba bestaat. Die bestaat alleen niet onder degenen die zich terugtrekken om drie redenen: angst, angst en angst.

Ik ben niet alleen; we zijn met velen, zovelen dat ons bestaan dwingend genegeerd wordt; we zijn tegenstanders en we bevinden ons niet bepaald in de Verenigde Staten. We zijn hier op enkele passen van u verwijderd, en dat weet u. De gastronomische circussen en festivals die georganiseerd worden om onze bezoekers af te leiden tellen niet mee. Dat soort onverantwoordelijk politiek neo-toerisme dat wordt verleend aan figuren uit andere landen telt niet mee: het feit dat ze "tevreden" vertrekken uit ons droevig schouwspel telt niet mee.

Onder al deze steigers leeft het volk en wij bevinden ons onder dat volk; wij die ons verzetten, en uiteraard onderdrukt worden, maar net zo onloochenbaar zijn als een geboortevlek midden op een voorhoofd. Degenen die de naderende catastrofe zullen overleven wil ik iets zeggen: het is goed, het is gezond te herinneren dat de geschiedenis vrij kan spreken, maar ook kan veroordelen.

María Elena Cruz Varela