Gedicht Reis naar Vuurland
Het was een grijze morgen
Koud als de dood.
Een vreemde lucht
Kondigde het moment aan
Om de ellende te verlaten.
Ik nam geen bagage mee
Alleen angst, onverzorgdheid
En mijn hart, kokend om te vluchten.
Ik reisde door donkere nachten
Om weg te komen van de stad des doods.
Mensen, schaduwen, stemmen,
Treinen, lang als slangen,
Vreemde stations…
Soms deed de kou van de hel
Zich nog voelen in mijn botten.
Het was een moeilijke reis,
Een milde en treurige tijd,
Ruw en teder tegelijk.
Op een dag deed een gloed
Mij naar de verte koersen,
Toonde mij het vuur en de lach
En, als een vogel die vlucht voor de kou,
Nestelde ik me in zijn kalmte.
(Het station dat ik achterliet
Is vandaag een puinhoop in niemandsland).
Nu vlieg ik elke nacht
Naar dit land van vuur
Waar de warmte woont
En het licht en de vrijheid.
Waar angst niet meer bestaat
En geen schaduwen zijn die
De vrede van de lichamen bevuilen.
