Gedicht Een bot mes uit Marasj

Op een bot mes uit Marasj
Stond met de motieven van een Urartische munt
Dit geschreven:
'Aan het onverklaarbare in en boven ons'

I

Er is niets veranderd.
Er valt niets te begrijpen.
Ik kan mijzelf slechts overgeven aan de verte
Van het water dat diep in mijn lichaam snijdt.
Om het heengaan te begrijpen
En het sterven onder het heengaan.

Er is niets veranderd.

II

Het door de zon gesmolten lied wordt hier gezongen
Het door de dood verbruikte lied.
De taal der doornen die ik door de bergen in te gaan
begrijp
Heeft tot mij gezegd
Ik dien heen te gaan
Zoals al de volkeren zijn heengegaan.

Ik heb geluisterd naar het lied der doornen
Ze weten niet dat ze geschapen zijn om pijn te doen.
Dat het leven zo groot is als de schaduw die zij
achterlaten,
Klein en middelmatig.
Ze praten met de stenen
Met het maanlicht 's nachts.
Ze zijn bevriend met de insecten
Met het harde bed van de aarde

Gestorven ben ik
Slapend in de slaap van het bestaan
En ik heb rondgekeken
Overal is het dor
Overal is het dor

III

Laat het volk ontwaken dat eens te middernacht
Met pijn van hier verdreven is.

Wie is er ouder
Dan de putten
Dan de wingerdtakken
En dan het bestaan van het vijgenblad, dat de schaamte
bedekt?
Wie weet er dat te zijn in deze wereld
Niet meer is dan een schaduw?
Hoeveel duizend jaar oud is deze zilveren munt die
spreekt
Tot wat er op en onder de aarde niet nieuw is?
De tijd verstrijkt snel meende ik.
Een leugen.
Hij verstrijkt niet
De pijn der volkeren hoopt zich op
De geschiedenis laat de tijd niet uit zijn put.

Een bot mes uit Marasj wrijven ze langs stenen
Om bloed.
Om bloed dat met de wateren mengen zal
En vergeten wordt.

IV

Het is waar dat het water het leven ophoopt
En vergroot.
Maar hier
Voert de stroom die kronkelend in deze diepe vallei
verdwijnt
De ziel der volkeren weg.
Voert hun doden weg en bergt ze op de bodem van de
zee.
Hij laat hun doden tot de vissen spreken
En voegt hun dromen toe aan de beverigheid van de
pioenen
Aan het geduld van de koralen.

Een bot mes uit Marasj wetten ze met een steen
Om bloed.
Om bloed
Dat met de wateren mengen zal en vergeten wordt.

V

Het is nacht geworden
De huivering van het volk dat nog steeds voorttrekt
Heeft mij omvademd.
Ik moet gaan.

Voor het gekeeld wordt
Spreekt het slachtoffer
Het heeft iets te zeggen.
Ik heb het gehoord.
Ik boog mij en zag in een put de lucht
Het vocht van de put, oog geworden voor de wereld
Zei tot mij:

Wat onverklaarbaar is in en boven jou
Is hetzelfde in wezen
En doordat het hetzelfde is
Troost het niet.

(Vertaling: Ireneus Spit)