Gedicht De wind vervulde landhuizen
Moeder
Die de bruidskisten die ze voor ons had laten maken
Bij onze geboorte
Vulde met
Zilveren spiegels
Stenen van lazuur
En stoffen gesmokkeld uit Aleppo
Zou een tijdje later
Ons in die kisten stoppen
En
Wegen
Wind
En landhuizen ons in het oor fluisteren.
Opdat we niet alleen bleven in het duister
Zou ze onze kindertijd erbij doen
In de wens dat wij ons daarmee zouden troosten.
Toen wij afdreven
Met de lange stroom waarin het bloed zich mengde
Dat met een scheermes uit onze rug vergoten werd
Werd het haar teveel
Terwijl ze sliep
Hebben we haar verlaten
Zeiden wij het water.
*
Alles en iedereen
Over van de uittocht
Is hier.
Ik ben hier
Mijn zusjes zijn hier met hun verlorenheid
Mijn moeder met haar kleren
Mijn broer met zijn oorlogsvrees
En mijn vader al is hij niet meer ontwaakt
De wereld is verschrompeld om mij heen
Alsof de gebeurtenissen een droom zijn
Die uitdijt en allengs meer pijn doet
I
Als moeder
Haar zwart fluwelen gewaad streelde
Vielen haar lokken over haar blik
En moest ze aan vader denken:
Ze zei dat hij zich op een witte berg bevond
Op een witte berg die elke lente slonk
II
Toen mijn broer
Die ouder was dan elk van ons
En bang was voor de oorlog in de verte
Niet meer terugkeerde
Werden ook wij bang voor de oorlog.
Maar het was niet de oorlog, die hem niet liet gaan.
Op weg naar ons toe
Zei moeder, hij was op zijn paard in slaap gevallen
Op de besneeuwde berg tegenover vader
Het gezicht van moeder werd steeds smaller
Haar schouders vielen in
We wisten niet naar welke berg we kijken moesten
III
Naarmate op de lange waranda van ons huis
Haar fluwelen gewaad langer
Haar zilveren hoofddoek zwaarder
En haar zilveren riem ruimer werd
Leek ze meer op de berg waarnaar ze keek.
In het voorjaar werd haar korst dunner
Maar we konden haar niet meer bereiken.
Ze ging dood
Dit keer smolt ze werkelijk
Ze is niet meer op de waranda verschenen
IV
Een boom die elke winter verdwijnt
En in de lente weer te voorschijn komt
Werd moeder
Een eik met tatoeages
Wier gekreun ons in de oren klonk
V
Moeder
Zwierf elke nacht
In haar zwart fluweel tussen de bergen
Een eik ontworteld
Zwijgzaam, schreiend van tijd tot tijd
Voor de scheiding
Kwamen we bijeen in haar schaduw
En fluisterden we tot elkaar
O god alstublieft spaar ons
Spaar ons huis o god alstublieft
Blijf af van onze waranda
Daar alleen kunnen we lachen
Daar zwijgen we zo lang we willen
Daar wordt onze mond van ons
Al raken we haar niet aan
We zien er moeder in de verte
VI
Toen de koude ingevallen was
Waren er ruiters gekomen om ons mee te nemen
Oude en merkwaardige ruiters
Ze hadden ons beangstigd
Er was sneeuw gevallen op hun blik.
En zonder een woord met ons te wisselen
Zonder acht te slaan op onze kleine handen
Zouden ze ons naar landhuizen wegvoeren
Naar landhuizen druisend van de wind
VII
Terwijl moeder
Tussen vader en broer in
Vredig sliep
Verwijderden wij ons met de oude ruiters.
Onze nek deed pijn van het omkijken
Onze ogen klampten zich vast aan elke bocht.
Maar vergeefs
Vergeefs was ons geschrei
Ons onwel zijn was vergeefs
De ruiters zijn niet afgedwaald
Wij zijn niet meer weergekeerd
VIII
We waren als stenen die de bergen afrolden.
Vier zusjes
Zochten in een vallei
Die met zijn schaduw zich verdiepte
Hun bed, dat niet meer het hunne was
Zochten dagenlang hun bed.
Zoveel bergen als we overtrokken
Zo ver verwijderd waren we van elkaar
Zo alleen met onszelf
IX
Begin noch einde
Binnen noch buiten
We waren daar
Midden in die stenen wereld
Hoe langer onze wegen werden
Hoe donkerder moeders tatoeages
X
We zouden afscheid nemen elk van ons
Bij een of andere afslag.
Maar wie zou het eerst
Wie zou het eerst bang worden
Voor de weg
De nacht
De oude ruiter.
Wie was er aan de beurt
We huiverden daarom bij elk kruispunt.
Ik was tot het eind gebleven
Met de smalle weg die zich voor mij uitstrekte
Een reiziger door het leven was ik nu
Die kracht putte uit zijn pijnen
XI
Aangekomen in het eerste van wind vervulde landhuis
Heb ik dagenlang geslapen
Te midden van kelims en koperwaar.
Van de wind had ik kunnen gaan houden
Was er deur noch raam geweest
XII
Tien jaar van mij vervlogen met de wind
Ik had het koud in ieder landhuis
Wat voor zin heeft het te praten zei ik
Als een mens geen weerklank vindt
Een zwijgend landhuis was mijn hart
Dat gaandeweg meer deuren krijgt
XIII
Het zilver en de paarden slonken
Ik spoedde mij van landhuis tot landhuis
De stem van de sterren leerde ik beter kennen
Hoe dichter ik bij het zuiden kwam
XIV
's Nachts
Leek de eenzame en dwaze maan
Sterk op mij
Er was iets eigenaardigs in mijn lach
Ik groeide op.
Ik dacht aan de liefde af en toe
Aan de meester van het lichaam.
's Nachts als ik niet slapen kon
Rook ik naar aarde
En op elke tocht die ik begon
Spon ik dromen
Wat kon mij mijn moeheid schelen.
Eens toen de wegen mij geen angst aanjoegen
Dook er een man met groene ogen voor mij op
Hij dreef de spot met zijn armoede
Zijn ogen werden donkerder
Naarmate hij ouder werd
XV
Ik kreeg kinderen van die groenogige man
Twee zonen
Van wie de één soldaat werd en de ander rode haren
had.
En mijn schoondochter
Sliep elke nacht bij mijn roodharige zoon.
Hij had het altijd koud
'Schoonzusje, wat heb je een warme voeten'
Zei hij en kroop tegen haar aan.
Twee kinderen van dertien jaar
Die elke nacht al fluisterend met elkaar in slaap
vielen.
Eén van die nachten
Was de regen in zijn slaap geslopen.
De regen ruiste
Laat je haren maar aan mij
Laat je haren maar aan mij,
En had mijn zoon betoverd in zijn slaap.
*
Het dal dat zichtbaar werd
Toen ik de heuvel opgeklommen was
Waar hij zijn haren waste met de wind
Stond onder water
De wolken waren aan de aarde vastgekleefd.
Ik wachtte op een rimpeling
Op een klotsen
Van het water dat mijn zoon verborg.
De dorpelingen samenscholend achter mij
Herinnerden mij aan de duisternis
Met hun stokken die als toortsen brandden.
Ik kon niet stil blijven staan
Ik daalde af de dampende aarde in.
Hoe dikker de modder werd
Hoe meer mijn kracht tekort schoot voor het duister.
Ik was bang dat hij het koud had
Dat zijn haren vuil geworden waren.
Toen een stem zei
'Hij is gestorven'
Had hij het niet langer koud
Was hij stiller dan de regen.
Met mijn gelaat vol modder en verdriet
Droeg ik zijn lichaam,
Droeg ik zijn haren in mijn handen.
Terwijl het paard waarop hij voorover was neergevlijd
De heuvel opklom
Liet het heimelijk licht doorsijpelen.
XVI
In het bed dat de groenogige man
Had nagelaten
Werd ik ouder starend naar het plafond.
Eindelijk
Waren mijn rokken even lang als die van mijn moeder.
Mijn haren langer
Dan de rode haren van mijn zoon.
Hoe kort heeft alles geduurd
De tochten
De dood
En de landhuizen
Niets is er gebleven om mij heen
Behalve zuilen donker van het roet
Ik moet mijn krachten een laatste maal bijeenrapen
Mijn haar moet naar henna ruiken
Er moeten appelbloesems in mijn water drijven.
En als god mij hoort
Wil ik een krap graf van hem
Dat mij het gedruis vergeten laat
Van de weidsheid van de landhuizen
(Vertaling: Ireneus Spit)
