Gesprek
Gesprek
Die verdomde vraag weer
"Waar kom je vandaan?"
Haar blauwe blik penetreert
mijn verbrande huid.
Ik wend mijn blik af
van de spleet tussen haar borsten.
"Laat mijn herinneringen begraven zijn
in oude inheemse kasten
naast de aarden potten en de lampen,"
zeg ik,
"laten we een vuur aanleggen."
Zij blijft stil.
Met die witte spleet in haar lage hals
blijft ze stil.
Mijn ontembare blik
dwaalt verder.
Ik zeg:
"Haal de wereldkaart van de muur,
spreid hem over de tafel.
Laten we daarna een vuur aanleggen
en wachten tot het as wordt,
dan de as verspreiden,
zolang ze nog warm is.
Let op je vingers.
Pak een schep, lepel of zoiets.
Strooi niet op één plek.
Houd je hand omhoog.
Strooi haar over de hele wereld."
Ze blijft stil.
Met die blauwe blik
blijft ze stil,
alsof ze haar vraag vergeten is.
Ik zeg: "Kijk toch.
Kijk naar deze verspreide zwarte punten en vlekken."
Plotseling wordt ze wakker.
De slapende schoonheid
wordt uit haar eeuwige slaap gewekt.
Ze kijkt en zegt:
"Ik geloof dat de kaart brandt
Jouw zwarte punten en vlekken
breiden zich uit."
"Soms gebeurt dat," zeg ik,
"je moet voor de as zorgen.
Ze mag heet zijn,
maar niet verbrandend."
