Gedichten Amir Afrassiabi

Rotterdam, mei 2004

Zonder titel

Ontmoeting in ballingschap
het was een zonnige najaarsdag
de inheemse zon verspreidde
zijn zwakke schijntjes
door de gele bladeren op het groene gras
zoals gewoonlijk dwaalden de stadswerklozen
in het stadspark rond

ook drie vreemde woorden
namelijk:
nimkat
deracht
chorsjid

ver weg van hun banken, bomen en zonnen
stortten ze hun klachten bij elkaar uit

een vrouw zat op het gras
stroopte haar broek op
en liet de zon
haar bleke benen zien

nimkat was moe
gezeten op een onvertrouwde bank
deracht kon niet zitten
zijn geledingen waren pijnlijk
van de vochtige lucht
chorsjid probeerde zich warm te maken
onder de onbekende najaarszon

een man liet zijn hond los
de hond jaagde een witte vogel
door het groene gras

‘wat een weer!’
zei chorsjid
nimkat was weer op adem gekomen:
‘wat een chorsjid!’
en deracht:
‘ ver van een schijnende zon
schijnt chorsjid niet
net als ik die mijn groeiende groen mist
en jij die geen bank kent
waarop een uitgeput mens even kan rusten’

chorsjid zei:
‘ als ik niet schijn
dan ga ik ook niet onder’
nimkat:
‘als ik geen bank ken
dan hoef ik me geen zorgen te maken
over de zwaarte van een lichaam’
deracht:
‘ als ik mijn groeiende groen mis
dan heb ik niets te maken met afsterven’

terwijl ze praatten
vloog de vogel
blafte de hond
stond de vrouw op
en rolde haar broekspijpen neer
zat de man op een bank
en draaide een shagje

geen van hen kwam te weten dat
op doe zonnige najaarsdag
los van alle zonnen, bomen en banken
vreemde woorden bezig waren
om hun heelal te verbouwen
op hun lege dromen

nimkat: bank
deracht: boom
chorsjid: zon


Zonder titel

een reiziger kwam bij mij aan
de reis kende geen einde
waartoe kwam de reiziger?

het brood op de tafel
had de muffige geur van heimwee

de reiziger
bleef niet
hij ging terug

de reis kende geen begin
waarheen ging de reiziger?

en waar bleef ik achter
tussen het einde en het begin?

de liederen van de rivieren
‘nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch’
Adorno

wat ik gehoord heb
ik geloof er niet in
dat die rivier in Isfahan droog is gelopen

de levensader van de eerste
en de laatste ontmoetingsplaats

zij loopt niet naar de zee
maar verzinkt in het moeras
toch geloof ik niet
dat de Zende Rud droog is gelopen

ik zong de avondliedjes
in de bosjes aan haar oevers mee
stond onder de gewelven van haar oude bruggen
keek naar de zonsondergang van Isfahan
bewonderde haar heldere wateren
onder de blauwe hemel
 

Zonder titel

over de wateren van de Maas
neuriën de winden
de liederen van alle rivieren
waardoor ze steeds waaien
en waarnaar ik niet wil luisteren
maar ik hoor ze wel

nu eens is de Zende Rud aan het woord:

fluister de verboden liedjes
in mijn verdwenen bosjes mee
sta onder de gewelven van mijn verlaten bruggen
kijk naar de dorens, de kiezels
en de zwermende kraaien
staar naar mijn lege bedding
onder de zwarte hemel

dan weer de Tigris:

zing de klaagzangen
in mijn ruines
sta onder de schaduwloze palmen aan mijn oever
kijk naar de weerspiegeling
van de ongenadige zon op de helmen
staar naar de drijvende lijken
in mijn rode wateren

dan weer de Kongo…
de Helmand…
de andere rivieren
maar ik kan ze niet meer horen


Zonder titel

de winden liggen stil
de koningin van de Maas rust weer thuis
bij haar koninginnen van de nacht
Sheherazade vertelt
de duizend-en-één verhalen weer
om vergeten te worden
net als de kleurrijke nachten van Bagdad

wat ik gehoord heb
ik geloof er niet in
dat de tijd nabij is
dat de vier engelen
die bij de grote rivier Eufraat
gebonden zijn, zijn losgelaten

wat ik je vertel
geloof er niet in
vernietig dit gedicht
ga maar rusten
thuis, bij je koningin

_________________________________________
* rivieren: Zende Rud (in Iran), Tigris en Eufraat (in Irak), Kongo (in Afrika), Helmend (in Afghanistan)
* "de tijd nabij is… de vier engelen die bij de grote rivier Eufraat gebonden zijn": openbaring, 1-3 en 9-14