Drie gedichten

Bevroren god

Moeder had een bevroren god
in haar geërfde ijskast,
bewaarde hem daar
voor de dagen van nood,
de snikhete zomerdagen.

Wie zomaar van hem at, wachtte
vreselijke straf. Het was
aangrijpend te horen hoe Vader
hem in zijn vloeken ontzag.

Nu is het tijd, de hoogste tijd,
de tijd van nood is aangebroken hier.
Het is snikheet. Het is zo warm geworden,
alles smelt. Ook
de ijskast.

Thuiskomen

Als ik thuiskom
heb ik heimwee
naar huis.

Van wie is het huis
dat komst en vertrek
overtreft en
niet meer is?

En ik die steeds
ondertroef
in dit spel
hoe thuiskomen
om te worden met
wat aan het worden is
om te zijn met
wat is geweest
om in dit huis
mijn eigen huis te worden?

De voorbijgaande gelegenheid

Zijn ze op de vlucht
voor de najaarswind?
Zijn ze de laatste boodschappen
van de blote takken?

De bleke bladeren
die tegen je ruit tikken.