Gedichten Ali Albazzaz
Het leesbare gebaar
Ik heb geen vertrouwen in praten.
Praten is een gieter.
Ik ben voor stilte
die als de zomer
in een sneeuw van woorden valt.
Ze is de eigenaar van betekenissen
en het leesbare gebaar.
De ober van dromen
Soms blijkt het leven
als het oog van de naald.
Het laat garen binnen, maar mij niet.
Beste lezer:
Als ergens muren worden gebouwd,
doe dan alsof ze doorzichtig zijn.
Of anders
zullen wij de hoogte van de muren uitpluizen.
Ik span de boom als een boog.
Wij maken een banket van dromen
en de wereld is onze ober.
Een hart als rietdekker
Een hart bekleedt de hemel
met kwast en verlangen.
Het hoopt dat riet het dak
met blijdschap zal bedekken.
Toekomst die ooit naar het verleden
is opgestuurd kan niet meer lachen,
want haar mond is vol meel.
Verlangen is betegeld: onbeweeglijk.
Een potlood met een naald
krast op een meer en valt stil.
Desondanks blijft het als een pot lijm.
Ik geef verf een hart,
als ik het aanboor vind ik niets
dan dorre ogen.
Maar gelukkig strelen enkele gedichten
mensen en huizen
als het laatste bewijs van liefde.
Mijn moeder was een viool
Mijn tante was mijn enige moeder.
Zij, zus van de Iris.
Kussen waarop de Jasmijnvelden gaan slapen.
In één cello zijn onze geesten samengekomen,
daarom noem ik haar: Moeder van mij.
Toen ik een weke twijg was,
liep ik om haar schoot,
alsof er een regenboog aan mijn handen zat.
Dan luisterde ik naar haar welluidende stem.
Toen zij zich met het graf bekroonde,
was zij nog maagd.
Ooit was de rivier met haar getrouwd.
Zo baarde zij vele beken.
Op haar lijf stapelen de golven zich nog op.
Elke ochtend wordt een piano wakker,
om rouwzang te spelen.
Na haar dood moet het donker
tot kleuren bloeien.
Zeker bewaart het nooit enkel zwart,
maar de heide is nu door haar slaap
tot één eenzame bloem teruggebracht.
(Opgedragen aan mijn tante)
Een timmerman van woorden
Ik ben verslaafd aan poëzie.
Ik hoop dat ik daar niet van genees.
Mijn passie is mijn ziekte.
Ik laat mijn gedachten door gedichten wandelen.
Ik parkeer mijn warmte niet.
Zonder ben ik werkloos.
Als een timmerman neem ik elke dag
mijn gereedschap mee:
woorden, potlood en papier.
Punten en komma’s zijn stopverf voor een gedicht.
Dat alles is de maatschappij
en ik ben de burger.
Soms zie ik een wankele regel.
Onmiddellijk draai ik er een schroef in
die wrijfwas oplost.
Ik wrijf er gauw overheen.
Poëzie heeft haken en ogen.
Ik ben een timmerman van woorden.
