Ali Albazzaz

Een paar fragmenten van een Open brief, die 13 juni 2002 verstuurd werd naar de Afdeling Vreemdelingenzaken in Nederland:
"Geachte dames en heren,
Wij wenden ons tot u met het volgende: de dichter Ali Albazzaz uit Irak wordt bedreigd met gedwongen terugkeer naar het Irak van Saddam Hoessein.
Onnodig te zeggen dat in een land waar geen vrijheid van meningsuiting is, een schrijver niet kan functioneren.
Ali Albazzaz verblijft al 5 jaar in ons land.
Hij studeerde aan het Instituut voor Economisch en Administratief Onderwijs in Irak, zo besliste het regime. Letterkunde mocht hij niet studeren. Hij spreekt Russisch en Engels. Op achttienjarige leeftijd begon hij in het Arabisch poëzie te publiceren, maar na eind jaren zeventig was het niet meer mogelijk om openlijk te schrijven.
Albazzaz ontvluchtte zijn land nadat in september 1997 bekend werd dat hij vanwege zijn gedichten gezocht werd door de geheime politie van Saddam.
Eind september 1997 kwam hij naar Nederland.
Hier heeft hij zich volledig toegelegd op het schrijven, zo snel mogelijk in het Nederlands.
Ali Albazzaz heeft op 2 oktober 1997 een aanvraag om toelating ingediend.
Op 29 april 1998 kreeg hij te horen dat zijn aanvraag niet werd ingewilligd.
De advocaat van Ali tekende beroep aan.
Op 27 mei 1999 werd dit beroep ongegrond verklaard.
Volgens procedure kon de advocaat nog één maal beroep aantekenen, nu bij de rechter.
Op 25 januari 2001 volgde een hoorzitting.
De rechtbank vond de bezwaren van Ali's advocaat gegrond en gaf de Vreemdelingendienst opdracht om de aanvraag opnieuw te bestuderen.
De hele procedure begon weer van voor af aan.
Maar opnieuw, op 19 februari 2002, liet de Vreemdelingdienst (de IND) weten het bij het rechte eind te hebben.
De ondertekenaars van deze brief, vertegenwoordigers van literaire en andere culturele organisaties, dichters, schrijvers, journalisten en docenten zijn ervan overtuigd dat hij niet terug kan naar Irak.
Dan komt niet alleen zijn veiligheid in het gedrang – dat is uiteraard het belangrijkste argument – maar zal hij ook niet meer kunnen schrijven.
Wij zijn er van overtuigd dat door de inzet, belangstelling en kwaliteit van zijn werk de dichter Ali Albazzaz een ware aanwinst is voor het literaire klimaat van Nederland.
Wij verzoeken u dan ook vriendelijk maar dringend om hem een verblijfsvergunning te verlenen."
Op deze manier leerde AIDA Ali Albazzaz kennen:
De dichter die koos voor de ballingschap om vrij te kunnen spreken.
De dichter voor wie actie gevoerd moest worden om dit toch zo vanzelfsprekende recht in Nederland voor hem binnen te halen.
Voor Ali Albazzaz zelf moet deze periode pijnlijk zijn geweest.
Een periode waar hij misschien maar liever helemaal niet meer over wil praten of horen. Zelf vertelde hij in een interview (in de Haagsche Courant van 24 juni in 2002):
"Ik slaap hier al vijf jaar op een kussen van grote ongerustheid. Ongerust om morgen het land te worden uitgezet. Ongerust om weer in Irak wakker te worden. Ongerust om daar te worden gedood. En zeker om als dichter geestelijk te worden vermoord. Mond- en schrijfdood is dus het minste wat mij daar te wachten staat. Ja, daar kan je moeilijk van slapen. Weinig Nederlanders beseffen hoe moeilijk het is om in een ander land als balling te leven. Met haast geen geld, een verbod om te werken, te reizen, raak je sociaal totaal geïsoleerd. Tel daarbij op de dagelijkse onzekerheid om te worden teruggestuurd met alle gevaren van dien. De vijf jaar die ik nu noodgedwongen in Nederland verblijf zijn vijf verloren levensjaren. Alleen door te dichten blijf ik hier overeind".
En overeind blééf hij! Het woord is aan Ali Albazzaz.
