Gedicht ‘Overlevenden’
Overlevenden
Ik ben omgeven door overlevenden,
met mooie handen en mooi haar
zwaaiend,
groot,
halfvolle flessen,
bij wie de dood logeerde
nadat hij hen had uit geschakeld
in een voorlopig vriendschapspel.
Eerst verberg ik me,
verstrikt in je haar
langzaam ademend
kin op de borst
mijn nek ontbloot
naar de stappen luisterend
de lach, de rotatie.
Je hoeft niets uit te leggen
ik begrijp.
De boom heeft maar een tak
die waar jij op zit,
de rivier heeft maar een oever
die waar jij op steunt,
de weg heeft maar een trottoir
dat waar jij op loopt.
Ik kus jullie allemaal
op jullie ontkurkte monden -
die zo zeer van eten houden.
Ik koop voor jullie dansschoenen
de planken zijn van jou.
Ik laat me drijven
wend voor dat ik de regels heb geleerd
glimlachend,
verstandig,
vriendelijk.
