Kamil Abbas bespeelt de tambur en de knievedel, traditionele Oeigoerse instrumenten. Zijn ouders brachten hem een liefde voor muziek bij, die hij tijdens alle turbulente ontwikkelingen in zijn leven heeft behouden. De ontmoeting met muzikanten uit andere culturen heeft daar nieuwe dimensies aan toegevoegd.
Misschien is Kamils verlangen om zelf muziek te maken wel begonnen op die middag, dat een bekende van zijn ouders aan de deur kwam. Een theaterartiest die ook viool speelde. “Mijn ouders waren niet thuis, maar hij speelde voor mij en mijn zus. Die muziek was zo mooi, dat heeft me diep geraakt. Later heeft hij als topviolist klassieke Oeigoerse muziek gespeeld. Ik heb me altijd afgevraagd hoe hij dat deed: muziek van meer dan vijfhonderd jaar oud spelen, die niet op papier staat. Andere musici zagen hem niet als concurrent, wat heel zeldzaam is in de muziekwereld. Iedereen luisterde graag naar hem, beschouwde hem als een leermeester. In mijn ogen was hij bijna als een koning.”
Samen met deze man heeft Kamil later zijn eerste viool gekocht. Een ghejdek, een strijkinstrument met een ronde klankkast van walnotenhout, zo groot als een flinke meloen.
Urumqi
Bergen herinnert Kamil zich van de stad waar hij geboren is. Hemelbergen. Hellingen vol groene bomen. Naaldbomenbossen zoals hij ze later herkende op foto’s van Zwitserland. En een beeld van vogels, zoveel vogels dat in zijn kinderenogen de lucht soms zwart was.
Die geboortestad, Urumqi, staat sinds de heftige onrusten van zomer 2009 ook voor westerlingen op de kaart. Het is de hoofdstad van wat de Oeigoeren Oost-Turkestan noemen, een gebied dat grenst aan Rusland, Mongolië, Kazagstan en Kirgizië. De Chinezen beschouwen het sinds de jaren 50 als hun provincie Xinjiang. Daarvoor stond het onder controle van de Sovjet Unie. Van 44-49 waren er onderhandelingen over onafhankelijkheid gaande met de Russen, maar voordat die tot een goed einde konden worden gebracht, kwamen de vijf belangrijkste politieke onderhandelaars voor de Oeigoeren om het leven bij een vliegtuigongeluk. Geen toeval, zo bleek later uit officiële documenten.
Gobi-woestijn
De geschiedenis van de Oeigoeren trok zijn sporen in Kamils familie. Zijn vader, onderdirecteur van een school voor Oeigoerse taal en cultuur, had vanaf de Chinese bezetting in 1949 ineens een ‘omstreden verleden’. Hij kreeg drie jaar cel. Tot de regering van Mao Zedong bevel gaf de best opgeleide Oeigoeren voor belangrijke functies naar Beijing te halen. Onder hen Kamils ouders, die opdracht kregen om Mao’s artikelen en boeken in het Oeigoers te vertalen. Kamil bleef bij zijn oma in Urumqi wonen tot hij zes jaar was.
Toen bracht zijn oma hem en zijn zusje naar Beijing. De tocht van 3500 kilometer, voor een groot deel door de Gobi-woestijn, kost nu vier dagen en nachten in de trein. Toen duurde het een maand en gingen ze per vrachtwagen. Oma, een oom, zijn zusje en enkele andere passagiers. Die ervaring in de woestijn staat in Kamils geheugen gegrift. “De scherpe zon, het zand, niets dan zand en constant rook je benzine. Vreemd genoeg vond ik de geur van benzine nog jaren daarna lekker.”
Paardenvijgen
Van het nieuwe leven in Beijing herinnert Kamil zich de overweldigende drukte. Veel mensen. Veel trams. Veel bussen. “En dat mensen heel nieuwsgierig waren, ze staarden ons aan, ze zagen ons als buitenlanders.” In Beijing maakten Kamil en zijn familie de hongerperiode mee van de jaren 60. Alle leerlingen van de basisschool kregen opdracht paardenvijgen en koeienmest te verzamelen voor het platteland. Die mest zou het land vruchtbaarder maken en er zou meer graan groeien. “Als ik ‘s ochtends op weg naar school een paard in de straat hoorde, was ik vol hoop dat hij zou poepen. Want als je mest meebracht, kreeg je complimenten van de leerkracht. Zelfs als je te laat kwam.”
Kamils ouders hadden werk, een mooie woning en werden goed behandeld door de autoriteiten. Dat nam niet weg dat ze terugverlangden naar de Oeigoerse cultuur, het leven daar. “Mijn ouders moesten zes dagen per week werken, ook op zaterdag. Maar op zondagochtend was alles anders, dan werd ik altijd wakker met Oeigoerse muziek.”
De dag dat ze hoorden dat ze naar Urumqi mochten terugkeren, herinnert Kamil zich nog goed. Toen hij uit school kwam, trof hij zijn moeder omringd door vrienden, voelde hun vreugde. Zijn moeder vertelde hem het goede nieuws met tranen in haar ogen.
Lofzangen op Mao
De terugkeer naar Urumqi betekende echter niet dat de problemen voorbij waren. Integendeel. Het was het begin van de ‘rampzalige jaren’ van de culturele revolutie. Alle Oeigoerse culturele uitingen waren in de ban gedaan. Traditionele liederen waren verboden. Scholen gingen dicht. Alleen politieke liederen waren toegestaan en lofzangen op Mao.
Maar misschien bleef juist door het verbod de muziek een grote rol spelen. In de kelder van hun huis trof Kamil dozen vol met platen aan, met Oeigoerse en westerse muziek. “Of ze die bewust daar hadden neergezet of ze waren vergeten, weet ik niet. Als alles verboden is, maakt dat mensen geestelijk leeg en tegelijkertijd nieuwsgierig naar wat verboden is en Oeigoeren zijn dol op muziek.” Dus trok Kamil, net als andere Oeigoeren, de gordijnen dicht en luisterde naar de muziek, waar hij steeds meer van ging houden. “Mensen luisterden veel en dansten de verboden dansen, zoals de wals en de tango. Vaak werd iemand verraden en opgepakt. Ik heb ook wel eens drie dagen vastgezeten.”
Naar het platteland
Zijn ‘omstreden verleden’ maakte Kamils vader ‘onzuiver en onbetrouwbaar’. Een stempel dat later ook op de zoon overging. “Mijn vader werd verbannen naar een dorp, dat 180 kilometer van Urumqi lag. De boer was aardig. Mijn vader hoefde niet zo hard te werken, hij kreeg de taak ervoor te zorgen dat de meloenen niet door de vogels werden opgegeten. Als hoogopgeleide intellectueel was hij niet gewend aan boerenarbeid. Na drie jaar is hij gestorven, pas 53 jaar oud.”
Nog voor zijn vader stierf werd ook Kamil naar het platteland gestuurd, na zijn achttiende verjaardag, net als veel Chinese studenten. Met één verschil, hij werd ervan beschuldigd antirevolutionair te zijn. “Ze zeiden ‘het is een zoon van zijn vader. Hij houdt van westerse muziek en van klassieke Oeigoerse muziek, die verboden is.’ De secretaris van de communistische partij van het dorp hield me in de gaten. Alles over mij kwam in een dossier.” Wel stemden de autoriteiten toe in Kamils verzoek te mogen verhuizen naar het dorp waar zijn vader woonde. “Dat was fijn en verdrietig tegelijk. Dan zag ik mijn vader in het meloenenveld zitten, van zonsopgang tot zonsondergang. Dat vond ik zo erg.”
Opera ‘Rood licht’
Ondanks alles bewaart Kamil ook goede herinneringen aan die tijd. Het verse brood dat ze om hun middel bonden als ze het veld in gingen. De geur van bloeiende abrikozenbomen in de lente. De alcohol die ze af en toe dronken, als de opzichters een oogje dichtknepen, en die bij gebrek aan glazen rondging in een fietsbel. En de muziek. ”In het dorp was geen elektriciteit. Vooral in de winter, als het donker vroeg komt, hebben boeren lange tijd niets te doen. Bijna iedereen zingt, dus ’s avonds kwamen we bij elkaar. Dan maakten we muziek, zongen en dansten bij het licht van kaarsen.”
Terug van het platteland werd Kamil gevraagd mee te spelen in de opera ‘Rood licht’. ”Ze wilden een Oeigoerse versie met Oeigoerse muzikanten, om zo de politieke gedachten te beheersen en de loyaliteit van de Oeigoeren af te dwingen. De beste componisten werden gezocht, een nieuw opera-ensemble opgericht. Net als in een westers orkest hadden ze veel violen nodig en ik werd aangenomen. We traden overal in de provincie op en ook in Beijing. Zelfs de vrouw van Mao kwam luisteren. De kwaliteit van onze uitvoering was zelfs beter dan die van het Chinese origineel en daarom werden we uitgenodigd om een film te maken. Negen maanden brachten we daarvoor door in Beijing, in een luxe hotel, we werden goed behandeld. Later in Urumqi, in 1975, kreeg Kamil officieel eerherstel. Hij reisde opnieuw naar Beijing, nu om viool te studeren en leerde daar zijn vrouw kennen, een zangeres. Van musiceren kwam in deze periode weinig. Zeven jaar werkte hij als secretaris en als vertaler.
Mix van muzikale stijlen
Na een vakantie in Turkije kon het echtpaar niet terugkeren naar huis en belandde in Nederland. Een jaar of twee, drie maakten ze vooral deel uit van gezelschappen die westerse muziek speelden. De vedel verdween langzaam onder het stof. “In die moeilijke beginperiode hebben we veel steun gehad van onze zoon Irfan, die nog op de middelbare school zat. Hij speelde slagwerk en hielp ons met alles organiseren en contacten leggen.”
Later bleek dat ook een bepaalde groep Nederlanders etnische muziek kon waarderen. Het was een tijd dat mixes van muzikale stijlen tot bloei kwamen. Ze traden op in het zijderoute-programma, in de Belgische musical Midzomernachtsdroom en met hun eigen groep Mäshräp. Tegenwoordig heeft Kamil nog optredens met het Global Village Orchestra, waarin tien musici uit acht landen spelen en maak hij deel uit van Al Farabi. Deze groep staat onder leiding van muzieketnoloog Wouter Swets, die onderzoek doet naar de microtonale muziek uit Centraal Azië.
Alleen van de muziek leven is te zwaar, maar Kamil pakt zijn instrument zo vaak hij kan. “Om mijn snelheid te behouden en mijn muzikaal gevoel. Ook al kom ik om 10, 11 uur ’s avonds thuis en ben ik moe, ik wil altijd nog even spelen.”
Tekst: Truus Groenewegen
