Zwaarte kracht
Zwaarte kracht
Maastricht, September 1999.
door Snezana Bukal
Jouw Kleine blauwe draak hangt aan de witte wand in de gang van mijn nieuwe huis. De dingen hebben de betekenis en het belang die ze eens voor mij hadden, verloren. Die tekening is een van de weinige dingen die al mijn verhuizingen volgt. Als ik naar mijn huis toe loop, zie ik hem even door het langwerpige glas-in-loodraam en ik herinner me het huis in de stad, het atelier en de jaren die we daar hebben doorgebracht. Ik herinner me alles tegelijk, als in een lange penseelstreek waarin alle ogenblikken zijn opgenomen die ik met jou heb doorgebracht. En ik herinner me een ochtend toen ik over de houten trap op weg was naar het atelier, zonder te weten dat je aan het schilderen was. Je hoorde me niet, hoewel ik op de trap al luid liep te praten. Ik bleef in de deur van het atelier staan: je zat op gespreide knieën, op een arm steunend boven een groot vel papier en je blies op de verf. Je wangen waren bol, midden op je voorhoofd pulseerde een blauwe ader. Om je heen schoteltjes met water en blauwe verf. Daarom, dacht ik, is in jouw tekeningen de weg van het water gevangen. De rivierbodem. De zeebodem. Hydrografie en geodesie. Stalagmieten en stalactieten. Sedimenten, lagen, fossielen van schelpen, insecten en lang verdwenen planten. Geconcentreerd als een kind dat een korstje van zijn knie pulkt en nergens aan denkt, schep je met je discipline van fffoeoe en oeoefff de wereld opnieuw, met waterverf op papier red je hem van het verdwijnen, van vergeten worden.
Je gezicht jaagt me geen angst aan, er ontbreekt alleen een enkel detail aan: het blauwe oogpotlood langs je oogleden, je oude bril, vele malen gerepareerd met een stukje ijzerdraad. Herinner je je nog dat ik de ringetjes aan de nieuwe gordijnen voor alle ramen in het huis naaide? Dat duurde uren en uren. Daarna waren de vingers van mijn rechterhand verstijfd van de pijn. Geduldig met de sterke draad met de naald door de stof, dan om de ring, en weer door de stof. We zaten tegenover elkaar aan de lange tafel. Alles was vol licht en op de een of andere manier omringd door de ruimte die jij voor mij was.'
' Ik heb voor het eerst een boek in het Nederlands gelezen. Goh, wat een emoties! Ik had niet verwacht dat een Nederlander in staat was zo veel emoties te laten zien" zei ik, maar al ik de woorden uitsprak moesten we allebei lachen om mijn domheid. `Ik ben opgegroeid in de heuvels van het eiland Java. En pas vele, vele jaren later begreep ik waarom mijn vader daar was, waarom ik op Java was geboren en waarom we weg moesten toen de zaken met de thee niet meer voldoende opleverden om ook de plantendokter die voor de plantage zorgde te betalen. Je kunt je niet voorstellen hoe het regende toen wij weggingen. Van de heuvels kolkte een rivier van vloeibare rode aarde. We zaten op ezels, vader en moeder voorop, achter hen mijn baboe, de Indonesische kindermeid van wie ik de melk had gedronken toen ik geboren was, en ik, onder een regenjas van legertentdoek. Het meubilair, moeders bruidsschat, de kasten, de commodes, het porselein, de geborduurde tafellakens, het beddengoed en de piano kwamen veel later, toen de regens voorbij waren. Het regende zo dat niemand merkte dat baboe en ik de hele tijd huilden en dat zij op het laatste moment, een ogenblik voordat ze me pakten, uit haar armen rukten, een schildpadje van haaienbot om mijn hals had gedaan en verstopt onder de natte stof van mijn jurk. Ook nu nog herinner ik me tot in het kleinste detail Batavia in regenvlagen, de bruine aanlegsteiger en de Kurmerland, de Duitse vrachtboot waarmee we na negen dagen varen in Rotterdam aankwamen. En de Rotterdamse haven, toen mijn ogen voor het eerst Nederland aanschouwden. In Rotterdam betrokken we een leeg huis, gekocht van het laatst overgebleven deel van moeders bruidsschat. We sliepen op de grond in één kamer en wachtten wekenlang tot de meubels kwamen. Ik zat altijd voor het raam te kijken naar de rij huizen, die leek op een tekening uit het abc-boekje waaruit ik baboe de letters had geleerd. Het schildpadje verstopte ik onder mijn bloesjes, uit angst dat ze het me zouden afnemen.'
De schaduw daalde af langs de kale ramen, eerst tot de planten, toen ook tot de houten toetsen van de piano. Het rook nu eens naar koffie, dan weer naar thee. Je sneed cake vol rozijnen in dunne plakjes, nam met je benige vingers de kruimeltjes op en bracht die naar je mond. Ik naaide geduldig, beet de draad af met mijn tanden, deed een nieuwe in de naald en ging verder met naaien. Ik bedacht dat de hoop witte stof waarin de ringen genaaid waren, op de vloer overal om me heen, een maat voor de tijd was en het verbaasde me hoeveel stof er in vier uur ging. Heb jij ook nagedacht over de tijd terwijl je me vertelde over de houten pers om zijden zakdoeken te strijken en de veel grotere voor het linnen? Over het begin van de eeuw, over de Eerste Wereldoorlog, over de Tweede Wereldoorlog? Over het eind van de eeuw? Over Hannah? Ik zou uren en uren kunnen opsommen. Hoeveel mijl stof is er nodig om een eeuw te meten?
' Ik ben voor altijd uit Belgrado vertrokken met een bus waarin mensen zaten die net als ik weggingen. Het was volkomen stil. In de bus. Het was heel vroeg in de ochtend. Er heerste stilte in de hele stad en daarom vergat ik voor een ogenblik dat voor sommige mensen vanuit mijn stad de oorlog naderde…'
Jouw aanwezigheid is in alles in het huis in het bos geprent. Wanneer ik daar ben, merk ik niet eens dat jij er niet bent. Ik verwacht je te zien aan de keukentafel in je ochtendjas met gerafelde mouwen, terwijl je een shagje rolt; aan het tafeltje in de huiskamer, waar je brieven schreef en de administratie en de rekeningen regelde, telkens wanneer ze de lamp aansteken. In het bos, in een blauwe overall, met een hark in de hand vergaar je bladeren tot een hoop die we vanavond in brand zullen steken.
De geur van je kamers, van hout en droge bladeren, dennennaaldjes, terpentijn, schone was in de kasten, gedroogde kruiden, oude mantels en jassen…
`Zeg hun dat ik ze mis.'
`Wie?'
`Het huis in het bos en de verven.'
`En het huis in de stad?'
`Nee.'
`Vanwege Hannah en de guillotine?'
`Vanwege de guillotine.'
`Herinner je je welke krant dat was?'
`Natuurlijk herinner ik me dat, l' Orateur du Peuple. Hannah was al uit Amsterdam vertrokken. En ik was voor het eerst na vijf oorlogsjaren echt alleen in het huis. Alles werd gegrepen door een soort drift om te repareren, te verfraaien. Daarom besloot ik ook het huis zelf te witten. Met witsel verdund in een emmer water en een kwast met een lange houten steel. En dat niet alleen. Ik had besloten eerst al het oude behang eraf te halen dat mijn overleden moeder, toen ze al leed aan tuberculose, vele jaren geleden had uitgekozen. Ik was een hele week bezig het eraf te halen, er bleken lagen en lagen onder te zitten. Iedere avond werd er een hoop natte papieren vodden in verschillende kleuren het huis uit gedragen. Alle kamers waren kaal, alleen Hannahs kamertje was nog over, dat niet groter was dan twee bij een halve meter, achter de geheime deur in de kast in de slaapkamer. Ik deed de kast en de deur achterin open en ging het kamertje in. Hannah had alles opgeruimd en schoon achtergelaten. Bij het afscheid had ze het schildpadje van haar hals genomen en het mij teruggegeven. Ik had het haar gegeven in een van de nachten dat ze geluidloos lag te huilen op de vloer van haar kamertje, ik omhelsde en troostte haar in mijn armen, zoals mijn lieve baboe dat vroeger in mijn nachtmerries met mij had gedaan: sjjj, sjjj, sjjj. Maar het rook nog steeds niet alleen naar Hannah, maar ook naar iets onuitsprekelijks, anders dan de geur van het hele huis. Ik zette de kaars op de vloer en betastte de muur. Die was behangen, niet met papier, maar met donkere, paarse zijde met een reliëfpatroon. Het ging er gemakkelijk af, zonder natmaken, je moest het alleen met je nagels van de muur losmaken en snel naar je toe trekken. En onder het behang ontdekte ik dat iemand de muur had beplakt met lagen kranten. En toen zag ik het. De titelpagina van l'Orateur du Peuple uit 1789: Marie Antoinette onthoofd. En een tekening. Weet je wat er op die tekening stond? In de linkerhoek een dienblad met een kruik en een glas, in het midden een lachende slager met een pijp in zijn mond waaruit rook kronkelde en met een slagersmes in zijn geheven hand, in de rechterhoek Marie Antoinette in het zwart, ze knielde en bad nederig met gevouwen handen. En onder de gravure de titel: "Mevrouw Veto had beloofd dat ze heel Parijs zou verpletteren, maar ze is een kopje kleiner gemaakt." De hele bladzij sprak over de laatste paar uren voor het guillotineren. Hoe ze bleek en vermagerd naar het Tribunaal was gevoerd. Hoe ze bij terugkeer in de Conciergerie had gehuild. Hoe ze haar laatste drie brieven had geschreven. Hoe ze een witte japon had aangetrokken en paarse schoenen met hoge hakken die iemand haar had toegeschoven. Hoe ze haar haar kort geknipt hadden. Hoe ze haar naar de open koets hadden gebracht, waarop ze alleen een wenkbrauw had opgetrokken, een klein teken dat ze een geslotene had verwacht, die haar de woede en het spuug van de massa zou hebben bespaard. En dat ze pas op het laatste moment, voor de guillotine, helemaal was begonnen te beven.
Terwijl ik de tekst las, begon de angst me al te bekruipen en later werd ik er helemaal door bevangen. Ik was volkomen verstijfd door een angst waarin alle vorige, vijf jaar niet getoonde, niet uitgesproken angsten verzameld waren. Voor de Gestapo. Voor slechte buren. Voor de mensen. Voor het feit dat in het huis een beschrijving hing van de onthoofding van een persoon met mijn naam. Vijf jaar lang had Hannah in dit kamertje doorgebracht, zonder dat iemand dat wist. Vijf jaar lang had aan de waslijn op de binnenplaats wasgoed van slechts één persoon gehangen. Ik kocht in de winkel maar voor één persoon. Ik zette de vuilnis buiten – nooit meer dan één emmer. Ik spoelde het toilet niet vaker door dan één persoon zou doen. Ik hield de gordijnen wijd open, zodat men maar één persoon door het huis zou zien lopen. En dat vijf jaar lang, maandenlang, dagenlang, nachtenlang. Hannah had een keer een dolle bui gehad en had me weten over te halen in het Wertheimpark te gaan wandelen. We zaten op een bank in het park, die aan het kanaal, bijna tot het speruur. Daarna werden we allebei dagenlang gekweld door schuld- en angstgevoelens. En op een ochtend was Hannah uit de kast gekomen, had mijn mantel omgeslagen en was naar de markt gegaan. Ze kwam terug met een boodschappenwagentje vol aardappelen. Ze zette het in de keuken neer en verdween zonder een woord te zeggen weer achter de deur van de kast. Ja, dat waren onze twee zonden in vier jaar. Maar Hannah hebben ze niet gevonden. De oorlog ging voorbij, zij zette haar medicijnenstudie voort en we hebben elkaar niet meer gezien tot afgelopen lente. Op een avond aan de vooravond van Bevrijdingsdag was Hannahs stem te horen op de radio en ze vertelde hoe ze de oorlog had overleefd in hartje Amsterdam, dankzij een meisje dat twee jaar jonger was dan zij. Zodra ik weer tot mezelf was gekomen, draaide ik het telefoonnummer van het radiostation en een halfuur later ontmoette ik Hannah, voor het gebouw van de radio in Hilversum. We omhelsden elkaar en waarschijnlijk huilden we. Hannah was heel broos, tenger en oud, zo oud. Die avond klommen we eerst naar de slaapkamer met de kast, dat is de kamer onder het atelier, en voor het eerst na vele jaren schoof ik de jassen en mantels opzij en opende de deur erachter. Toen we zwijgend in de huiskamer waren teruggekomen, vertelde ik Hannah over het behang, over Marie Antoinette en de guillotine. En zij herhaalde alleen maar: angst is een mentale toestand, een geestestoestand. Toch hielden we elkaar bij de hand, die handen met een vlechtwerk van aderen en vlekken, we beefden allebei en fluisterden elkaar iets in het oor zodat niemand ons hoorde, zoals vroeger achter de deur van de kast.'
' De oorlog begon voor mij toen mijn vriend Milan werd gedood in Dubrovnik. Een granaat sneed zijn huis middendoor. Hij was in de keuken, hij wilde zijn morgenkoffie zetten. Toen vijf jaar later het vredesverdrag werd ondertekend, kwam mijn vriend Zaim om. Hij wandelde door Sarajevo, door de verkeerde straat en kwam een verlate sluipschutterskogel tegen. Ze waren allebei dichters…'
Je doet langzaam je ogen dicht. Je zucht, snikt en richt je op in de stoel, want je hebt ergens pijn. Je begint te beven, ik verplaats de rolstoel van de schaduw naar de zon. Dat vind je prettig. De pijn is over, je glimlacht en we zwijgen. Je plukt met je lange vingers aan de geruite deken die over je benen ligt. En ik weet niets beters te doen dan mijn stoel in jouw richting te verschuiven, ik leg mijn hoofd op je borst, omhels je en kijk hoe de zwaluwen door de lucht vliegen, er hurkt een kind bij een hond, er rijdt een auto voorbij en de boomtoppen wiegen kalm. Ik luister hoe je hart klopt. Aan een zwart zijden lint om je hals hangt het schildpadje dat ik een paar weken geleden heb gekocht in een vissersdorpje in Istrië.
`Ik wandelde over de pier in Piran, ik kon niet geloven dat ik daar echt weer was' fluister ik je toe, `en toen stak opeens uit het niets, bij heldere hemel, een storm op. De noordooster begon te waaien en zweepte de zee op. De kooplieden ruimden hun kraampjes van de pier. Strohoeden en zomerjurken waaiden op. Over de pier ratelden houten ševrinke die van iemands omgewaaide kraam gerold waren. Onder de eerste grote regendruppels lukte het me van een van de kooplieden de hanger te kopen die aan een zwart lint aan een touw bungelde. `Die is niet te koop,' riep de koopman tegen de wind in, maar hij pakte het bankbiljet zonder te kijken wat ik hem gaf en verdween, achter zijn nering aan, die door de wind over het strand werd geblazen. De lucht werd zwart. De regen stroomde in vlagen. Het lichtte en donderde alsof de zee schoot. Op de pier was niemand meer, behalve ik. Ik deed mijn sandalen uit en zonder acht te slaan op het onweer en de regen liep ik op blote voeten door de stenen stad. In mijn hand hield ik de hanger en ik herhaalde bij mezelf: ik heb hem gevonden, ik heb hem gevonden. Ik weet hoe vaak je hem hebt gezocht, jarenlang, in vele laatjes, dozen en doosjes, overtuigd dat het onmogelijk was dat je hem had verloren, dat je hem ergens had neergelegd, op een logische, veilige plek, je was alleen vergeten waar.'
`Naar baboes huis op het erf achter de grote boom mocht je alleen 's middags, als iedereen sliep. Op een keer zat ik soep te drinken uit het pantser van een schildpad, en baboe zat op de rieten vloer met haar benen onder zich gevouwen, ze rookte een pijp en bewerkte met een klein mesje een stuk haaientand voor mij, een medicijn tegen angst en ziekte. Want ik was vatbaar voor ziekten en 's nachts was ik zelfs bang voor het bamboeblad dat ruiste in de tuin. Ik dronk de soep tot op de bodem op. Op de bodem van die kom van schildpadpantser stond iets geschreven in letters die ik niet kon lezen. Met baboe sprak ik een dialect dat niet langs de kust, maar in de bergen wordt gesproken. Ik heb het maar een keer opnieuw gehoord, op de markt in Rotterdam, van twee oude Indonesiërs die ruzie maakten om een zak rijst.
Je zult het schildpadje in het huis in het bos vinden. In de laatste kamer. Op de derde plank van de commode, achter de sjaals, in een lucifersdoosje. Daar heb ik het voor het laatst verborgen. En in mijn droom teken ik met een stuk houtskool het opschrift dat op de bodem van de kom van schildpadpantser stond. Als ik wakker word, herinner ik me niet meer hoe het er uitziet of wat het wil zeggen. Wat doe jij als er niets meer is dat je op de grond houdt?' vraag je en je wijst met een benige vinger naar de glazen deur, die geluidloos opengaat om je man en de zuster van de afdeling voor demente patiënten door te laten.
' Dan schrijf ik.' Ik beantwoord je vraag met een simpele zin. Ik had moeten zeggen, maar dat durfde ik niet, omdat we niet meer alleen waren:: `Ik schrijf, want sinds jij er niet meer bent, niet in Amsterdam en niet in het huis in het bos, praat ik minder.' Ik had moeten zeggen dat ik met mijn vingers op het toetsenbord van mijn herinneringen tik tot mijn vingertoppen er pijn van doen. Ik houd me vast aan het potlood tot mijn vingers stijf worden, zonder dat het me kan schelen of ik al bij de eerste of bij een van de volgende letters verzink in het grafiet, in de modderige mineur van de verleden tijd.
`I need now my baboe ,' jammer je zachtjes.
Je man, met de armen over elkaar, en de zuster, die je vanmorgen met een badstof washandje en een oplossing van water en alcohol heeft gewassen, die je heeft aangekleed, gekamd en gevoerd met havermout, begrijpen het niet. Op hun gezichten lees ik: zie je, zo is ze nu. Je brengt een kopje koffie met melk naar je mond en houdt het dan zo voor je lippen. Een lange, lange minuut. We staan in een kring om je heen en beginnen ons onbehaaglijk te voelen.
`Het zou makkelijker gaan als het rode wijn was,' zeg ik, om de volslagen stilte te verbreken, en jij begint te lachen. Een klein teken dat alles in orde is. Zelfs een blinde zou het zien.
