Het lied
Het lied
Door Snezana Bukal
"Een Pionier gelooft niet in God!" zegt oom Aca net als de juf in de klas, maar dan moeten we het allemaal hardop nazeggen.
"6000 jaar oud?! Ha! De wereld, lieverd, is ongeveer vier en een half biljoen jaar oud", zegt papa.
"Ik geloof alleen maar in de vooruitgang, fabrieken en de arbeiders", zegt oom Aca en tikt me gemoedelijk op mijn schouder.
"God vergeef hem", mompelt Nana Doucha en slaat een kruis en oom Aca trommelt geïrriteerd met zijn vingers op de tafel.
"Wil er nog iemand thee?" vraagt mama zoals altijd en iedereen gaat ergens anders over praten.
Het lijkt alsof God nergens meer is. Over God mag je alleen maar stilletjes fluisteren en dan nog alleen maar met mama. Met mama ga ik naar de kerk: de stenen trap af onder de schaduw van de hele hoge bomen. De kerk is altijd leeg. Mama, de heiligen aan de muur en ik zijn altijd alleen. God leeft in de kerk aan de muur en soms zielig alleen, aan de kant van de autoweg, aan een kruis waar het onkruid overeen groeit.
"Net goed!" zegt Nana Doucha en slaat tevreden een kruis. Het is zo'n vreselijke winter dat de verwarming in onze school niet meer werkt en de vakantie daarom twee weken eerder is begonnen. De wintervakantie begint normaal altijd twee weken na kerstmis en daarom hebben wij helemaal niet door dat het kerstmis is. Omdat papa en mama in deze twee weken nog werken, sturen ze mij naar mijn opa in het dorp.
Mijn opa met zijn grote witte baard, zwarte mantel en hazelnotenhouten wandelstok. Opa heeft een huis van rode bakstenen en een hoge klokkentoren die in het veld voor het huis staat. Zijn kerk staat in het midden van het woud precies tussen twee dorpen in. Mijn opa is priester en ook al bestaat God nergens anders meer in de wereld, in opa's huis en kerk woont God zeker.
Het is twee dagen voor kerstmis en al drie dagen woedt er een vreselijke sneeuwstorm. De wind jaagt de sneeuw in cirkels omhoog en buldert, whoeee-whoee, rond het huis. Het lijkt alsof alles, opa's huis, de klokkentoren, en misschien zelfs wel het hele dorp zal worden opgezogen in de lucht. Ljuba en Jaja, mijn vrienden in het dorp, lachen dat ik zo bang ben. Voor hen is het niet gek, zij hebben al zo vaak een sneeuwstorm in het dorp meegemaakt, maar voor mij is het de eerste keer. Niemand heeft me ooit verteld dat de wind zoveel lawaai kan maken en dat de sneeuw drie dagen lang kan vallen zonder pauze.
"Opa? Zijn rotsen echt ouder dan God? Papa zegt dat de rotsen miljoenen jaren oud zijn."
"Papa heeft gelijk. Maar hij telt in mensenjaren en miljoenen mensenjaren zijn hetzelfde als een Goddelijk jaar."
"Ahaa…", zeg ik opgelucht.
"Opa? Mag ik morgen mee naar de avonddienst?"
"Naar de avonddienst?!" vraagt tante Tale verwonderd. "Niemand gaat er morgen naar de kerk. Alles is bedekt met sneeuw."
"Bedekt met sneeuw, wat wil dat zeggen?" vraagt opa. "Laat Zivojin de arrenslee gereed maken."
"En wie gaat er dan troparyons zingen? De nonnen zullen zeker niet kunnen komen door dit weer. Er is al twee weken geen nieuws van ze. Het klooster is compleet ingesloten door de sneeuw. Het is misschien een zonde maar God zal het niet kwalijk nemen. Met dit weer zou zelfs God niet reizen! Nog maar niet te spreken om een kind door het woud in dit weer mee te nemen naar de kerk. En u, Vader, als u dan echt moet gaan, zal ik dan Zivojin vragen dat kleine kacheltje mee te nemen om de kerk wat te verwarmen?
"Een kachel in de kerk!" lacht opa. "Dat zou de eerste keer zijn."
"Opa? Zullen we een beetje gaan lezen? "
Altijd als ik dat aan opa vraag, stopt hij direct met wat hij doet en loopt hij naar zijn bibliotheek en haalt dat grote zwarte boek, opent het en legt het voor me op de tafel neer. En dan begin ik hardop te lezen. Heel langzaam. Opa's zwarte boek staat vol met woorden die ik nog nooit eerder heb gehoord, en namen van landen, steden, vlaktes, zeeën en mensen waarover ik helemaal, helemaal niets weet. Daarom lees ik nooit meer dan één bladzijde. En als ik daarmee klaar ben, vraag ik aan opa wat elk woord en iedere naam betekent die ik niet ken. In opa's zwarte boek staat alles geschreven vanaf het allereerste begin toen de aarde werd gemaakt.
Opa slaat het boek open en ik begin te lezen: Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den Tzar Herodes, ziet, enige wijzen uit het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen. Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten… Eerst, in het begin, snapte ik er niets van maar later, langzaam, met opa's hulp begonnen de vreemde woorden uit het boek te leven en opeens kan ik het voor me zien.
"Opaatje? Mag ik alsjeblieft met je mee naar de kerk?"
"En waarom wil je dan zo graag mee naar de kerk met zulk slecht weer?" vraagt opa en kijkt door het raam. De storm woedt nog steeds en de sneeuwvlokken vliegen wild door de lucht en langs het raam.
"Daarom. Ik wil het niet missen."
"Je wil het niet missen…", herhaalt opa en kijkt me aan. "Dobro, dee… Vooruit, we zullen zien… Wie was, wie was… Herodes Agrippa en wie was Herodes Antipa?"
"Opaa!!"
"Vooruit. Wat betekent dan Halleluja?"
"Prijs de Heer in het Hebreeuws."
"Klopt, maar dat tellen we niet want dat weet iedereen. Een andere vraag. Wie waren de maggi?"
"Maggi is een Grieks woord en het betekend wijsheren. Dat was het woord dat de Meden, Perzen, Babyloniërs en Egyptenaren gebruikten voor filosofen, astrologen, astronomen, artsen en andere geleerden. En toen Jezus was geboren, kwamen er drie maggi naar Bethlehem uit het oosten. Zij heetten Melchior, Casper en Baltazar. En misschien kwamen ze uit Perzië maar…"
"Jij bent", zegt opa, "een lief goddelijk wezentje."
"Natalia!!" roept opa. "Zeg Zivojin om de kachel morgen mee te nemen."
De volgende morgen word ik wakker gemaakt door iets vreemds. Stilte. Er is geen wind meer, de storm is over. Ik spring uit bed en kijk door het raam. Wohh, alles is wit. Er ligt een wit pak met sneeuw over het hele dorp. Die avond gaan we naar de kerk over het smalle pad door het woud in een arrenslee met twee paarden. Tante Tale heeft me ingepakt met dekens en onder mijn voeten staat een warme stoof. In de kerk gaan tante Tale, oom Zivojin en ik op de houten plank naast het kacheltje zitten. Dan verschijnt opa door een klein deurtje uit de Ikonostas: de houten muur met daarop allemaal geschilderde afbeeldingen van heiligen. Daarachter mag niemand komen behalve opa. Zelfs ik niet. Opa heeft een lange gouden mantel aan, een brede purperrode band om zijn middel en op zijn hoofd een grote zwarte kamilavka. Opa begint te spreken tot alle mensen in de kerk: tante Tale, ome Zivojin en ik. Gelovige broeders en zusters, een diepe zware duisternis kleedde de aarde. Het was middernacht. Overal was de dodelijke stilte van de nacht. Op de heuvels van Bethlehem waakten de herders over hun kuddes… Ik luister naar opa's verhaal en kijk naar de vlammen in de kachel en de schaduwen die ze maken op de muren. Het is zo lekker warm tussen tante Tale en ome Zivojin. Ik doezel bijna in slaap als ik het hoor. Eerst heel, heel zacht van heel ver weg.
"Tante Tale, hoor je dat?", fluister ik.
"Sjsss…"
Ik hoor het nog steeds. Duidelijker en duidelijker. Ik kan het nu zelfs herkennen. Er wordt gezongen. Jezus is geboren, alle heersers van wereld vieren samen met uw volk…
"Tante Tale, de engelen zingen!" fluister ik nu iets harder.
"Sjsss…", zeggen tante Tale en oom Zivojin tegelijk en beginnen samen met opa te zingen. Maar ergens alleen voor mijn oren kan ik het lied nog steeds duidelijk horen.
Als opa met de kandilo, vol met wierrook, door de kerk heen begint te zwaaien, hoor ik het geluid van arrensleebellen en het gehinnik van paarden. De kerkdeur gaat open en in de deuropening staan, met rode wangen en dampend van de kou, ingepakt in dikke kleren met dekens er omheen drie heel vreemde mensen. Het duurt even voordat ik moeder Annisia en zuster Pavla en Anna herken, de nonnen van het door sneeuw ingesloten klooster.
"Vrede op Aarde. Jezus is geboren", roepen ze alle drie.
"Inderdaad. Hij is geboren", antwoordt opa terug terwijl we verbaasd naar hen kijken.
Wij gaan met z'n allen terug naar opa's huis. In opa's keuken drinken we verwarmde bramenwijn met honing, die de nonnen hebben meegenomen, en eten walnoten en gedroogd fruit. Moeder Annisia vertelt hoe ze de wolven hebben horen huilen terwijl hun arrenslee door het woud heen vloog. Hoe ze met de zweep heeft gezwaaid en nergens bang voor was geweest. Maar zuster Plavla en Anna zijn erg stil.
"Hebben jullie gezongen?" vraag ik.
"Wie heeft er nu zin in zingen op zo'n moment", antwoorden zuster Plava en Anna tegelijk.
"Maar ik hoorde het gezang Jezus is geboren…"
"God zij met je, mijn kind. Dat moet de wind rond de kerk zijn geweest", zegt opa. Moeder Annisia neemt nog een slokje wijn. Zuster Plavla en Anna zijn stil.
Ik zeg niets meer. Ik denk aan morgen. Hoe ik naar tante Tale's huis zal rennen omdat zij gelooft dat als 'een kind met een zuiver hart' als eerste aan de deur klopt dit geluk brengt voor het komende jaar. Aan het eikenboompje, dat ome Zivojin vanmorgen heel erg vroeg al uit het woud heeft gehaald, en waaronder opa voor mij gouden muntjes en snoepjes zal leggen. Aan het ronde brood dat tante Tale zal maken en waarin kleine dingetjes zijn verborgen die iets over de toekomst zeggen.
Ik val in een diepe slaap en in mijn droom vermengt alles zich. De heuvels in Judea, de herders in Bethlehem, de sneeuw in opa's dorp… Ik droom, en zelfs in mijn droom hoor ik het lied en vind ik het jammer dat ik er met niemand over zal kunnen praten. Met niemand, behalve fluisterend, als er niemand is, met mama.
