De stilte achter de woorden

De stilte achter de woorden

Nasim Khaksar

Na 11 september verloor taal zijn betekenis. De strijdende partijen gieten hetzelfde doel in verschillende woorden. Zowel George Bush als Osama bin Laden zijn daarmee ongeloofwaardig, betoogt de Iraanse schrijver "Nasim Khaksar".

Bush riep de wereld op een coalitie te smeden tegen het terrorisme, zonder te erkennen dat velen bij de hedendaagse buitenlandse politiek van de Verenigde Staten vraagtekens zetten. Aan de andere kant claimen Bin Laden en de Taliban, die de elementaire mensenrechten en normen van beschaving aan hun laars lappen, dat zij handelen uit naam van onschuldige slachtoffers in de Palestijnse gebieden en de islamitische landen. De Amerikaanse president spreekt van een kruistocht tegen het terrorisme, wat door velen wordt geïnterpreteerd als de bekendmaking van een heilige oorlog tegen de islam. Bin Laden roept op tot een heilige oorlog tegen het Westen.

Europese regeringen steunen, soms met enige reserve, Amerika in zijn oorlog tegen het terrorisme en vormen een coalitie tegen de Taliban en al-Qaida. Arme moslims in Indonesië, Pakistan en de Palestijnse gebieden gaan de straat op en betuigen hun steun aan Bin Laden door poppen van Bush en Sharon in brand te steken. Voor geen der partijen is neutraliteit acceptabel. De Amerikaanse president zegt dat elk land dat zijn coalitie niet steunt er tegen is. Een woordvoerder van al-Qaida waarschuwt moslims niet in vliegtuigen te stappen of hoge gebouwen binnen te gaan, wat bewijst dat de organisatie geen respect heeft voor de levens van onschuldige burgers. Iedereen is doelwit.

De boodschap die de profeten van de moderne tijd bieden, gaat over Dood, Onwetendheid, Misdaad en Leugen. Naast hen vindt de stem van Edward Saïd geen gehoor, als hij spreekt over de mondiale verwarring van waarden en anti-waarden. De Amerikaans-Palestijnse schrijver stelt dat Arabieren en moslims hun eigen waarden ter discussie zouden moeten stellen en zich dienen af te vragen waarom onwetendheid, armoede en analfabetisme hun levens hebben overmeesterd. Ook de Amerikaanse romanschrijver Norman Mailer krijgt weinig aandacht voor zijn visie dat het Amerikaanse beleid in het Midden-Oosten de Verenigde Staten tot het meest verwenste land ter wereld maakt. Selectieve berichtgeving zorgt ervoor dat de westerling de oorlog met grote opwinding volgt en omdat de mens niet kan leven met onzekerheid en spanning, accepteert hij wat hij aan nieuws krijgt voorgeschoteld. Verklaren de VS op de ene dag dat Taliban het absolute kwaad vertegenwoordigen, op de andere dag, als de Pakistaanse leider generaal Musharraf zijn zorg heeft geuit over de Noordelijke Alliantie, spreken Amerikaanse media over ‘gematigde Taliban’. Gaat het belangrijkste nieuws vandaag over de angst voor bio-terrorisme en antrax verpakt in brieven en postpakketten, morgen lezen we dat het aantal doden in het Afghaanse kamp omhoog gaat. Volgens journalisten sterven er elke dag vier Afghaanse kinderen de hongersdood. Onbekend is hoeveel burgerslachtoffers de luchtbombardementen op Kabul, Khandahar en Jalalabad hebben geëist. Het zou een aantal kunnen zijn dat ons de eerstvolgende jaren opzadelt met een groot gevoel van schuld en schaamte. In wat voor eeuw leven we eigenlijk? Is het de eeuw van duisternis, zoals de Iraanse Soefi die eeuwen geleden in een verhaal voorspelde?

Het verhaal speelt zich af in een Iraans stadje. Vlakbij de stad is een berg, aan de voet waarvan zich een diepe put bevindt. Op zekere dag valt daar een kind in. De moeder van het kind spoedt zich naar het hof en smeekt de koning om iemand te sturen om haar kind te redden. De koning wijst een ter dood veroordeelde gevangene aan en beveelt hem het kind te redden. De veroordeelde zegt ‘laat me naar beneden zakken, maar als je na zeven dagen niets van me hebt gehoord, trek me dan weer op.’ Hij daalt af met een mand vol stenen, die hij een voor een in de put laat vallen. Hij luistert naar de echo, maar een reactie blijft uit. Als de veroordeelde na zeven dagen weer omhoog gehaald wordt en hem gevraagd wordt wat hij heeft gezien, antwoordt hij: ‘Duisternis’.

Het lijkt erop alsof het nu onze beurt is om in de put te kijken en niets te vinden dan duisternis. Woorden hebben hun betekenis en kleur verloren. Ze vertegenwoordigen geen waarden meer. Als de twee vechtende partijen dezelfde woorden gebruiken, kunnen we de gebeurtenissen alleen nog aanzien, zonder de loop ervan te beïnvloeden. Angst voor die gebeurtenissen wordt niet alleen veroorzaakt door het terrorisme zelf, maar ook door de verwarring omtrent de waarden en de absurditeit van de ideeën die het terrorisme telkens in omvang doet toenemen. Is het de stilte achter de woorden waardoor de dialoog uitblijft, de stilte die werkt als een bom? Angst voor die stilte heeft westerse landen overschaduwd. Mijn Nederlandse buurman die me een paar dagen niet had gezien, vroeg me of ik me schuil hield voor racistische groeperingen. Hij vertelde op fluistertoon dat sommige van die groepen de oude kreet dat Nederland vol was, weer van stal hadden gehaald. Ik weet niet of hij me wilde waarschuwen of sympathie met die kreet wilde betuigen. Een van mijn Nederlandse vrienden, een theaterdirecteur, vertelde me dat hij zich een vreemdeling voelt temidden van al zijn Marokkaanse buren. Elke ochtend als mijn vriend en zijn buren naar hun werk gaan, kunnen ze de angst in elkaars ogen lezen. Op school vragen Nederlandse kinderen hun klasgenoten en vroegere vrienden of zij moslims zijn. Die voortdurende inquisitie maakt jonge Arabische migranten boos en dwingt hen als het ware om zich te keren tegen de westerse waarden. Een jonge Marokkaan, gestuurd om de deur van mijn woning te schilderen, vertelde mij dat Nederlanders iedereen met een donkere huid voor moslim en terrorist aanzien. Toen ik hem liet weten welke hel Bin Laden en zijn volgelingen voor de moslims kunnen creëren, voelde ik hoe hij zich terugtrok, alsof hij er spijt van had dat hij mij zijn mening had toevertrouwd. Misschien zag hij mijn woorden als een teken van toenemende onveiligheid in de samenleving. Een gevoel dat ertoe leidt dat migranten en ballingen op hun woorden letten en ze zelfs aanpassen, om niet te worden beledigd en uitgescholden.

Toen ik in de ogen van die jonge Marokkaan keek, herinnerde ik me het commentaar van de Zweedse verslaggever op Bush’ verklaring dat Amerika werd aangevallen omdat het land het helderste baken van vrijheid en democratie is. De journalist zei dat als Amerika het symbool van de vrijheid is, andere minder fortuinlijke landen ook een deel van die democratie en vrijheid willen. Kan de regering van de Verenigde Staten verklaren waarom de opkomst van dictaturen in Iran, Vietnam en vele Latijns-Amerikaanse landen zo nauw verbonden is geweest met de buitenlandse politiek van de VS en andere westerse landen? Als straatarme, boze moslims protesteren in de straten van Peshawar en de foto van Bin Laden als hun held meedragen, moet het Westen terugblikken op de geschiedenis. Het moet zich afvragen waarom vredelievende leiders in Afrika en Azië afgezet werden door potentaten als Saddam Hussein, Khomeini en Khadaffi. De nieuwe oorlog is, afgezien van economische en politieke redenen, vooral een represaille. Het is geen antwoord op vragen die niet-westerse naties stellen. Het volgt de politiek die haat en terrorisme in de afgelopen eeuw gevoed heft. Het is een eindeloze oorlog. Zelfs als de Taliban worden verslagen, blijft de wreedheid tussen Israël en de Palestijnen bestaan. Dat geldt ook voor het conflict over Kashmir tussen India en Pakistan. Zal deze oorlog, met dubbelzinnige slogans en met bondgenoten als Pakistan, dat fundamentalistische terroristen zoals Bin Laden in Kashmir steunt, gewonnen kunnen worden? Naast burgerslachtoffers, zaait de oorlog vooral angst bij burgers die deel zijn van een multiculturele samenleving die voortdurend verandert, maar waar weinig kennis over de ander bestaat. Die angst is gezaaid en geen regering lijkt zich te realiseren welke uithoeken van de menselijke geest erdoor geïnfecteerd raken. En wat de gevolgen daarvan zullen zijn.

Noot:
Dit artikel is eerder gepubliceerd in ‘ Contrast’, het weekblad over de multiculturele samenleving. Contrast was een uitgave van FORUM en verscheen 40 keer per jaar. Later een keer per maand.