Kameraad Tito
Fragment uit Antonije Zalica, Trag zmajeve šape
‘Gele sneeuw’
Meulenhoff 2001
Vertaald door Reina Dokter
Kameraad Tito
‘Kameraad Tito’ was een vreemde vogel. Tito was in die jaren in Sarajevo helemaal geen ongewone bijnaam. Vooral onder soldaten en politieagenten kwam hij nogal eens voor. Alleen was het accent een beetje anders dan vroeger: hij werd altijd uitgesproken met een lange, gerekte ‘i’. De naam ‘Tito’ was zelfs een soort titel, een compliment. Hij werd vaak gebruikt om iemand te karakteriseren, men zei bijvoorbeeld: ‘Hij is een echte Tito daar in Dobrinja.’ Zo kregen sommige mensen de bijnaam tijdelijk, alleen om hun macht, moed, bekwaamheid of grootheid van het moment aan te geven. Aan anderen bleef hij langere tijd kleven, en weer anderen gaven die bijnaam waarachtig aan zichzelf.
Zo was het ook met deze Avdo. Hij zei van zichzelf: ‘Ik ben de Bosnische Tito.’ Het was hem niet gelukt dat ‘Bosnische’ blijvend aan zijn bijnaam te verbinden. Maar ‘Tito’ bleef wel, en spottend (en beslist niet toevallig), om toch verschil te maken bij het aanspreken, voegden de mensen er dat ‘kameraad’ voor, en zo werd Avdo ‘Kameraad Tito’.
Kameraad Tito vervulde twee functies. Hij was commandant van een politiepeloton ‘ter beveiliging van objecten en personen’, wat in feite betekende dat hij en zijn mannen op wacht stonden voor gebouwen waar, naar werd aangenomen, enkelen van de voornaamste personages van ‘de jongste staat ter wereld’ en van het leger van die staat woonden. Hoewel dat heel belangrijk klinkt, was Tito’s peloton een gewone straatwacht, zelfs geen patrouille. Maar Kameraad Tito had zijn eigen ruimten (het vroegere magazijn van een Macedonische firma), zodat het leek of hij het bevel voerde over een heel politiebureau, hij noemde het ook vaak nadrukkelijk ‘mijn bureau’, zodat iedereen de uitdrukking langzamerhand overnam en sprak over ‘Tito’s bureau’ en ‘Tito’s agenten’.
Naast zijn politieplichten vervulde Kameraad Tito ook de functie van voorzitter van de gemeenteraad van Pothrastovi II en in het kader daarvan was hij hoofd van de Commissie voor de Aanleg van Gasleidingen, die werd gefinancierd en toegerust door de Soros Foundation. Tito’s politiebureau lag vol met alle mogelijke tabellen, richtlijnen, gedrukte dienstvoorschriften en met verschillende plannen en prioriteitenlijsten in het kader van de Actie voor de Aanleg van Gasleidingen.
In beide functies deed Kameraad Tito zijn best consequent en eerlijk te zijn. Tegenover zijn agenten was hij streng maar rechtvaardig, maar zij moesten hem blindelings gehoorzamen. Het was immers beter je dienst te vervullen in de beschutting van een ondergrondse doorgang of de portiek van een huis dan in de eerste linie te moeten vechten. En wat het gas betreft, kunnen vele ooggetuigen bevestigen dat Kameraad Tito als eerste de mouwen opstroopte en er hard aan trok toen er van de zomer greppels gegraven en buizen gelegd werden.
‘Als ik, die de leiding heb, de anderen niet het goede voorbeeld geef, wie moet het dan doen?’ benadrukte hij dikwijls. Overigens was Kameraad Tito afkomstig uit de arbeidersklasse, hij was oorspronkelijk elektricien van beroep. Natuurlijk kwam hij uit een dorp.
Vóór de uitbarsting van agressie was hij, naar eigen zeggen, niet zo geïnteresseerd geweest ‘in politiek’. ‘Ik las geen kranten, keek geen televisie, daar verknoei je je tijd maar mee.’ Hij werkte liever ‘concreet, bij een firma, bij de gemeente, zodat we het allemaal beter krijgen’.
Aan het begin van de oorlog had hij zich meteen als vrijwilliger aangemeld bij de eenheid van Vikic en ze hadden hem de opdracht gegeven om waar nodig installaties te repareren, bedrading op te lappen, radiotoestellen te onderhouden en dergelijke.
Maar langzamerhand profileerde Kameraad Tito zich. Hij meldde zich steeds als vrijwilliger voor allerlei karweitjes, hij was actief bij de gemeente, verwierf daarnaast de rang van pelotonscommandant en nam dat kleine politiebureautje over. Ook daar spande hij zich heel gewetensvol in om de zaken vooruit te helpen. Zijn ondergeschikten waren in hun ‘vrije tijd’ altijd bezig met allerhande klusjes. Ze stapelden onberispelijk zandzakken bij al hun wachtposten, ze waren de hele herfst planken aan het vertimmeren (en planken waren in Sarajevo echt heel moeilijk te vinden) en maakten keurige wachthuisjes.
Voorbeeldige politieagenten werden door Tito geregeld – eens per maand – beloond, en niet met blikjes groente of sigaretten, zoals men dat bij andere eenheden deed (Kameraad Tito was een gezworen niet-roker, hoewel hij in zijn bureau altijd een paar pakjes sigaretten had, om te presenteren als er een belangrijk iemand langskwam), maar hij wist altijd wel ergens warme sokken, lange onderbroeken of andere dingen op de kop te tikken die nuttig waren bij het wachtlopen tijdens ijskoude nachten.
‘Agent Zahirovic wordt vanwege zijn voorbeeldige staat van dienst beloond met een paar grijze wollen sokken,’ gevolgd door een handtekening en een stempel.
De ontdekking van de computer was een grote vreugde voor Kameraad Tito. Aangezien ons filmhuis direct naast zijn ‘bureau’ gehuisvest was, gebruikte hij onze computer, en omdat juist ik er meestal achter zat, werd ik, of ik wilde of niet, een soort persoonlijke secretaresse van Kameraad Tito, evenals zijn typist, statisticus en manusje van alles. Ik werd overal voor ingezet: van het netjes formuleren van de bevelen, ‘proclamaties’, opschriften en ‘wegwijzers’ van uiteenlopende aard die Tito graag op de deuren en muren van zijn bureau plakte, tot het maken van allerlei tabellen en begrotingen, deels ten behoeve van de politiedienst, deels ten behoeve van de Prioriteitenactie voor de Aanleg van Gasleidingen in de gemeente Pothrastovi II. Weigeren was moeilijk, want je wist het maar nooit. Hoewel we wel een soort van prioriteit hadden, zij het mondjesmaat, kon hij als hij boos werd, onze stroom afsluiten of god weet wat voor andere gemene streek uithalen. En zonder stroom geen montage, geen scenario’s en uiteraard ook geen verzoeken om toewijzing van hulppakketten, geen aanvragen om te mogen filmen en geen voorraadlijsten ten behoeve van ons filmhuis. Nou ja, je werkte een uur of twee voor Tito en dan had je nog een paar uur over voor je eigen administratie, en als de stroom niet uitviel, kon je zelfs even de film monteren die de komende lente zou worden vertoond op het festival van Cannes, in Amerika en wie weet waar nog meer.
Ik heb overwogen om dit verhaal ‘Kameraad Tito en de filmkunst’ te noemen, maar dat vond ik toch een beetje overdreven klinken.
Maar nee, hij zag er alleen gevaarlijk uit, hoewel het leek alsof hij ieder moment kon omslaan en iedereen zou arresteren. Hij vond het erg leuk om dat onder de aandacht te brengen: ‘Wat is dat voor dom gedoe daar, wordt er hier nog gefilmd, pas op of ik arresteer iedereen!’ schreeuwde hij al bij de deur en met zijn onwaarschijnlijk kelige stem overstemde hij elk geluid; terwijl wij bijvoorbeeld werden geïnterviewd door de BBC of het ZDF en uitleg gaven over de arbeidsomstandigheden bij het maken van een film in een omsingelde stad, zonder stroom, water, eten, onder voortdurende bombardementen en sluipschuttersvuur, of probeerden uit te leggen hoe de stad zich met haar culturele leven verzette tegen de destructie en de haat… De geluidstechnicus van de buitenlandse ploeg rukte dan met een pijnlijke gelaatsuitdrukking de koptelefoon van zijn hoofd, de journalist draaide zich verbaasd om en staarde naar die vreemde stakerige gestalte in een perfect gestreken grijs overhemd, geërfd van de vroegere ‘Volkspolitie’, die met zijn brede, kwajongensachtige grijnslach de aandacht vestigde op de gouden kronen op zijn kiezen no. 4 en 5 aan de linkerkant.
‘What’s happened?’, vroeg de geluidstechnicus in verwarring.
‘Oh, don’t be worried, that is just our Comrade Tito,’ antwoordden wij dan kalm.
‘Tito, oh yeah… we will repeat the last question,’ zei dan bijvoorbeeld die Engelsman, die er nu juist helemaal niets meer van begreep.
‘Maar wij hebben recht op onze specificiteiten,’ beklemtoonde Kameraad Tito graag als ik soms ‘s nachts thee of iets dergelijks ging opwarmen op de kleine blikken kachel in zijn privé-kantoor. Daar brandde altijd het vuur waar we allemaal naar verlangden, de latten die hij Joost mag weten waar had opgescharreld knapten, een zachtrood licht verspreidde warmte door het gedempte donker, terwijl erboven, opgehangen aan zinloze radiatorbuizen, een paar grijze wollen sokken hing te drogen. Kameraad Tito maakte dan zijn riem los. Het foedraal met zijn TT-pistool, van sovjetmakelij, lag op tafel. Hij trok zijn schoenen uit, leunde in zijn bureaustoel achterover met zijn voeten op het bureau en staarde net als ik lange tijd in het vuur, dat bij mij herinneringen wekte aan de Jahorina en het skiën, en bij hem aan zijn moeders groentepita, de geur van zijn vaders aardkleurige handen, de dikke lagen sneeuw van zijn kindertijd, of misschien zelfs aan de zes fakkels die met één vlam brandden op het wapenschild dat eens, lang geleden (een jaar of twee, drie?) op de linkerkant van de borst werd gedragen door de jongens in het blauwe tenue van ons toenmalige nationale elftal, dat ons, geloof ik, min of meer allemaal dezelfde zenuwinzinking bezorgde. (Waar was toch dat Wereldkampioenschap toen we zo stom van Argentinië verloren, met strafschoppen? Voor wie eigenlijk gingen daarna zo’n honderdduizend mensen in Sarajevo met vlaggen de straat op?)
Maar toch, al kon hij vervelend doen, ik verklaar met de hand op mijn hart dat Kameraad Tito ons niets verschuldigd was. Op een keer kwam de staatstelevisie om een item te maken over ons filmhuis en het festival dat werd voorbereid in het omsingelde Sarajevo. Die mensen kwamen aan en laadden dat armzalige beetje apparatuur dat ze nog over hadden, uit. Tito stuurde niet alleen een patrouille, maar kwam ook persoonlijk zijn bureau uit, begeleid door drie van zijn meest voorbeeldige politieagenten. Hij wilde van geen discussie horen: ‘Vooruit, pak die spullen bij elkaar, ik heb hier mijn eigen cameramannen!’ En er hielp geen lieve moeder aan, onze pogingen tot overreding mochten niet baten. De televisie ging er mooi vandoor, naar een andere locatie.
Zo toonde hij nog een paar keer tekenen van goed nabuurschap. Toen iemand onze chauffeur op de markt water had aangesmeerd in een olieblik (en wel tegen de gewone prijs van veertig DM voor een liter olie), sloeg Tito meteen alarm en stuurde er een stuk of tien gewapende mannen op af om de schuldige (een oudere vrouw) op te sporen en naar het bureau te brengen. Maar het was al te laat, na dit soort ‘zakendoen’ verhuizen ook zwendelaars naar een ‘andere locatie’. Overigens stopte hij mij ook een paar keer (zó dat de anderen het niet zagen) een pakje witte ‘Drina’s’ toe, verpakt in een zeepwikkel (geel met bloemetjes) of in een doosje, gemaakt van papier waarop iemand die er wat meer verstand van had de verfijnde stijl van Meša Selimovic of Ivo Andric zou herkennen.
Ook het beroemde bevel van Kameraad Tito, dat hij waarschijnlijk uit een of ander handboek had gehaald, uit een cursus voor sergeants of zelfs uit een programma van de staatsradio, is tot de legenden gaan behoren: ‘Terugtrekken naar de reserveposities en verkennen!’ riep hij, terwijl de scherven ons om de oren floten na de inslag van een granaat van honderdtwintig millimeter uit een mortier die ontplofte op het plein voor zijn bureau en ons filmhuis. De politieagenten hadden, zoals overigens iedereen in de buurt, hun neus toch allang in het beton gedrukt en niemand haalde het in zijn hoofd om zich af te vragen waar die ‘reserveposities’ waren en wat er verkend moest worden. Kameraad Tito trouwens ook niet, want ook die liet zich achter de netjes opgestapelde zandzakken vallen. Maar een bevel is een bevel en het werd als uitgevoerd beschouwd zodra het was gegeven.
Kameraad Tito was ook betrokken bij een internationaal incident. Op een keer kwam er een of andere buitenlandse producent naar ons filmhuis; omdat hij afkomstig was uit het land (dus een ‘landgenoot’ was) van de opperbevelhebber van UNPROFOR, kreeg hij als escorte de persoonlijke beveiliging van de generaal van de VN. Een paar uiterst ongure types, allemaal even groot en even dik, ‘twee aan twee’ in kogelvrije vesten, met uzi’s en andere speeltjes. Omdat de sfeer in de stad in die tijd heel grimmig was, groeide de spanning en er werd een conflict verwacht tussen de rijkspolitie en de marechaussee enerzijds en een paar ongehoorzame brigades anderzijds. Die hadden trouwens de onbeschaamdheid gehad om niet alleen de toch al beklagenswaardige inwoners van Sarajevo te terroriseren, maar ook een witte troepentransportwagen te kapen, waarop volgens de officiële gegevens met zwarte drukletters in Latijns schrift ‘VN’ stond. Daardoor ontstond er een heel gedoe: duizenden nota’s en waarschuwingen, zelfs op de East River werd erover gediscussieerd.
Nu kwam de persoonlijke garde van de opperbevelhebber van UNPROFOR de transportwagen uitgerend. Ze stelde zich in een seconde in slagorde op en dekte ieder hoekje en iedere centimeter van het ‘territorium’ dat Kameraad Tito gewoonlijk controleerde met zijn peloton ter beveiliging van objecten en personen. Aangezien niemand Kameraad Tito tijdig op de hoogte had gesteld, stuurde hij er meteen een van zijn patrouilles op af om de zaak te onderzoeken, drie man, een heel lange, een heel kleine en een ‘ertussenin’, maar met een slecht gebit, allemaal anders gekleed, allemaal anders bewapend, om zo te zeggen (niet beledigend bedoeld) een zooitje ongeregeld. Zij liepen van het verst gelegen punt van het plein langzaam naar de transportwagen, en die ‘dobermanns’ van de VN (waarschijnlijk legionairs) gedroegen zich als terminators: ze gingen met een ruk in het gelid staan en lieten hun uzi’s repeteren, gespannen als een veer. Tito’s patrouille ging natuurlijk de andere kant op, niet te snel, het moest niet lijken alsof ze bang geworden waren, alsjeblieft niet, maar meer zo van: wij wandelden hier alleen een beetje rond, laten we eens gaan kijken wat er daar aan de hand is, we waren helemaal niet van plan die kant op te gaan, maar och…
Later, toen die anderen allang de hielen hadden gelicht, vroegen we hun en Tito er ernstig en zogenaamd boos naar (‘Wat hadden die hier te zoeken? Ze hebben hier toch zeker geen mandaat?’). We repten natuurlijk met geen woord van het bezoek van de producent, we deden alsof we nergens iets van afwisten.
‘Heb je ze gezien, potverdrie, waarom hebben jullie hun transportwagen niet gekaapt?’
‘En als er wat gebeurt, hoor je ze piepen!’ snauwde de kleinste van de drie politieagenten, met een gezicht dat medelijden en minachting uitdrukte.
‘Jullie zijn goed opgetreden,’ benadrukte Kameraad Tito. ‘Het internationale aanzien van onze jonge staat staat op het spel.’
Het was ver na het speruur, er kwam zo onverwachts stroom dat ik twintig volle seconden nodig had om tot mezelf te komen en achter de computer te springen. Misschien kon ik vannacht iets afmaken wat ik had gepland voor de komende twee maanden (als het maar af was voor Cannes!) als ik volgens de normale gang van zaken op voorrang bij de elektriciteitsvoorziening kon rekenen.
Er klopte iemand op de deur, ik had geen tijd om mijn broer te waarschuwen en die liep naar de deur, maar zelfs al had ik de tijd gehad, er was niets aan te doen geweest. ‘Doe open of ik bombardeer de boel plat,’ schreeuwde Kameraad Tito van buiten, en dat bij wijze van grap. En hij was al binnen, met onder zijn arm een stapel papier.
‘Waar zit die typist?’ riep hij al bij de deur.
Schrijf Cannes en San Francisco maar op je buik, dacht ik geërgerd.
Mijn broer trok een grimas tegen mij, zo van: ik ga in de montageruimte een video bekijken. Wat mij te wachten stond, was bekend.
‘Toe, maak alsjeblieft deze tabel voor me, maar netjes, zodat alles goed te zien is. En deze lijst, met de kostprijzen erbij, een betaling voor ventielen. En print een stuk of twintig tabellen en vijftig lijsten voor me. En deze verordening, maar die moet je nog even mooi formuleren. Kom, doe je best.’
‘Doe ik, Kameraad Tito.’
‘Kan het vóór morgenochtend?’
‘Als de stroom niet uitvalt. Maar het kost veel tijd om die tabellen uit te printen. En ik heb ook geen papier.’
‘Ik breng je wel papier.’
‘Kan het niet met wat minder tabellen? Je kunt ze toch kopiëren?’
‘Waar moet ik kopiëren? Print ze nou maar uit.’
Ik begon een beetje heen en weer te schuifelen. Ik keek in mijn la, wierp een blik in een leeg pakje. Tito haalde uit het borstzakje van zijn overhemd een pakje tevoorschijn (weer in een zeepwikkel), nieuw, verdorie, helemaal vol. Hij maakte het onhandig open en hield het me voor.
‘Steek op.’
‘Mag mijn broer er ook een?’
Tito moest er even over nadenken en gooide het pakje toen op tafel, hij gaf het me helemaal. (op de markt een kilo kool, of drie, vier grote aardappelen, of een half pond melkpoeder).
‘Hier, neem maar.’
‘Het hele pakje, dat hoeft toch niet?’, deed ik bescheiden.
In de verte klonk een dof gedreun. Kameraad Tito hield stil, een eigenaardige pauze, hij antwoordde niet, luisterde gespannen. Fronsend staarde hij naar de vloer. Schatte hij de richting in waaruit de ontploffingen, het machinegeweervuur, het monotone gesis van het sluipschuttervuur klonken? Dacht hij aan de gemeente Pothrastovi II? Waarom hield hij juist nu stil, terwijl die achtergrondmuziek toch altijd voortduurde?
‘Weet je, daar moet ik aldoor aan denken. Jij hebt een goed verstand, nou moet jij me eens vertellen,’ begon hij eindelijk te praten, toen keek hij weer naar de vloer en ging verder: ‘Wij hebben maar drie volken en kijk nou eens wat er hier allemaal gebeurt… en als je dan bijvoorbeeld naar de Sovjet-Unie kijkt: daar zijn wel zestig volken, en die leven allemaal goed met elkaar!’
Ik staarde naar het oranje scherm van de computer, alsof ik piekerde over die tabel. Zou hij het echt niet weten? Ik zweeg alsof ik nadacht.
Ik merkte dat mijn broer zich over mijn hoofd boog, hij kwam op de lucht van mijn sigaret af.
‘Ja. Wij zijn een vreemd slag mensen,’ zei ik, god weet waarom. Ik had de kracht niet om hem te zeggen dat de Sovjet-Unie al drie jaar niet meer bestond en dat ook daar sommigen allang flink met elkaar in de clinch lagen. Ik verzweeg alles. Mijn broer zei ook niets, stak een sigaret op en knikte alsof hij het ermee eens was.
‘Volgens mij zijn alle mensen hetzelfde.’ Dat zei Kameraad Tito en hij liep weg, het bedorven donker, de ijskoude winter van Sarajevo in, om een rondgang te maken langs zijn politieagenten, om hen te controleren en te verrassen als ze waren ingedut of als ze tegen de regels in rookten op hun wachtpost, zodat hij ze met een stuk of drie extra diensten kon beboeten, maar ook om ze te vragen of ze het koud hadden en of hun kinderen melkpoeder hadden, of ze soms medicijnen nodig hadden voor hun opa en om, indien nodig, een dienstwagen te sturen om water te halen uit Bistrik.
Eén beeld nog: Kameraad Tito rent als eerste over het plein. Hij gaat terug naar een auto. In zijn armen draagt hij een klein meisje. Haar voetje hangt erbij.
‘Adidas’ – ik herken de sportschoenen.

