Openingstoespraak Jos Bours

Openingstoespraak Jos Bours

Kan je de zon aan een touw naar de aarde trekken?

Opening expositie Adil Elsanousi in Akantes 9 november 2006
Door Jos Bours

Midden in de kleurrijke zomermaand juli van dit jaar werd ik gebeld door Herman van AIDA. Of ik het openingswoord wilde houden voor de opening van een schilderijen tentoonstelling. Ik aarzelde. Ik wilde eigenlijk nee zeggen. Maar niet meteen. Omdat ik Herman een leuke man vind. Ik zei: ik heb geen specifiek verstand van schilderijen. Daarom juist, zei Herman. Ik zei: ik ben een buitenstaander. Dat is juist interessant, zei Herman. Ik zei: Hoe heet die schilder dan? Adil Elsanousi, zei Herman. Die achternaam maakte me week. Ik zei ja.

Nou moet ik eerst even iets uitleggen. Ik ben dramaturg en toneelschrijver bij een theatergroep die mensen in de volkswijken van Utrecht vraagt naar hun ervaringen en levensdilemma’s en van diezelfde mensen de acteurs maakt die dan over zichzelf spelen. De theaterwereld vindt het geen theater. De buurtbewoners vinden het emotionele zelfverrijking. Ik vind het een onuitputtelijke bron van inspiratie.
Een van die spelers is Houssein, een Marokkaanse man van een jaar of veertig. Hij speelde zes jaar geleden mee in een toneelstuk over het grote culturele misverstaan in de volkswijken van de grote steden. Houssein El Sanoussi. In de spelersbus op weg naar voorstellingen in Groningen, Helmond of Maastricht hadden wij de meest intensieve gesprekken en discussies met elkaar. Hij trok de sluier weg van een voor mij onbegrijpelijke wereld van Islamitische en Marokkaanse codes. Hij bestookte me met boeken over geloof en bijgeloof. Waaronder een fantastisch boek over de wereld van sjaitaan, djinns en de djnoen, duivels en boze geesten. We legden elkaar met honderd kilometer per uur het vuur aan de schenen over Marokkaanse en Hollandse opvoedingscriteria. Houssein was enthousiast, fel, begeesterd, boos- en dat liefst allemaal door elkaar, maar hij haakte nooit af. Houssein bleef praten. Hij nodigde mij als buitenstaander uit in zijn wereld. Dat was interessant. Zijn achternaam roept nu nog steeds vreugdevolle gevoelens bij me op. Elsanoussi. Dus ik zei ja.

Ik ben buitenstaander. Nieuwsgierig probeert die buitenstaander zich toegang te verschaffen tot een wereld vol codes die hij niet kent. Hij kijkt naar schilderijen, naar tekeningen van een man die hij niet kent. Uit een wereld die hij nauwelijks kent. Hij probeert zijn buitenkantbeeld van Afrika in het algemeen en Soedan in het bijzonder te corrigeren en te verdiepen. Hij probeert het boek te lezen dat Adil schrijft met verf en kleur. Eerst kijk ik naar Adils werk van vijf jaar geleden. Kleuren- kleuren- dramatisch intense kleuren. De kleuren van een wereld die niet Noordwest Europa is. Kleurige vlekken, mensen soms- huizen of vlakken. Alles tweedimensionaal. Maar niet plat. Het kleurrijke universum van een man die het kind dat hij ooit was, op zijn schoot heeft gezet. Ik zie thema’s en motieven die voortdurend opduiken: de machtige vrouwen, de vogels, de vissen, de stromen. Op die stromen: bootjes, echte en van papier zoals een kind een bootje vouwt. In de stroom: vissen. Maar soms ook vissen in de lucht. Vissen die meebewegen met de stroom ze geven zich over aan hun lot. Ik zie geen vis die tegen de stroom in zwemt. Zo is het leven- zo dient het te worden geleefd. De huizen met hun driehoekjes en deuren. Muren met poorten. Achter die deuren, daar liggen de geheimen die een jongetje nog gaat ontdekken. Of kent hij ze al? Witgeklede mannen met tulbanden, in een groep afgebeeld als een aan elkaar geklit blok. Vrouwengestalten waarvan alleen de ogen zichtbaar zijn. Altijd vanuit een laag kinderstandpunt. Soms lijken ze wel een school vissen. Vrouwen en mannen en water en huizen- het zijn thema’s uit het onderbewuste waarin alles met alles kan worden verknoopt omdat de wetten van de logica niet meer gelden. En dan die opvallende details: de hartjes. De driehoekjes -ongetwijfeld met een symbolische functie, maar ik ken de betekenis niet- is dat jammer?_ driehoekjes dus in de vorm van tegeltjes, zeilboten, huisjes, tenten, hutten, sterren of vaantjes.
En overal is de zon. Vooral in de kleuren die je tegemoet spetteren.

Die zon is vijf jaar later veranderd in een steeds grijzer wordende bol. Er verandert wel meer. De kleuren. De blauwige grijsheid van Noordwest Europa dringt in de tekeningen en schilderijen. De Afrikaanse driehoekjes worden huizen aan een Hollandse gracht of vaantjes die wapperen aan een touw. De stroom, de rivier is opeens een wimpel geworden met de Nederlandse driekleur. Het figuratieve lijkt op te lossen. De grenzen vervagen. Vervagende figuren. Vlekken, stippen, strepen zijn overgebleven. De strak begrensde vlakken van Afrika worden over de lijnen uitdruipende waterverfvlakken.
De huid lijkt niet meer de grens te zijn tussen binnen en buiten.

In vijf jaar speelt zich in die schilderijen en tekeningen een dramatische ontwikkeling af- om in toneeltermen te praten. De binnenwereld met de Afrikaanse kleuren, vormen, lijnen en vlakken lijkt haast te worden ingesloten door de omgeving: de buitenwereld van Noordwest Europa met zijn koele kleuren. Ingeklemde vormen waarbinnen de betekenissen verschuiven: ze zijn er nog steeds, de vissen, de hartjes, de mensenfiguren maar hun orientatie is veranderd. Ze zweven of zwemmen in onbestemde kleurvlakken of kruipen dicht op elkaar. Ik zie doorzichtige vrouwen in hijab – ze zijn bijna vervaagd- ze bewegen zich in een vreemde wereld. Ik zie ook het diametraal tegenovergestelde van doorzichtigheid: een groep mensen waarvan we alleen de onderbenen zien. Samengedrongen bewegen ze zich ergens naar toe, een samengeklonterde groep. Alsof ze achter een groot schild, ondoordringbaar dichtgeschilderd met Afrikaanse kleuren motieven zich ergens naartoe bewegen. Een schild verstevigt de huid en bevestigt het verschil tussen binnen en buiten.

Zo lees ik jouw boek, Adil. Het boek dat zo intens schrijft met verf en kleur. Dat me een blik gunt in een fascinerende binnenwereld en daarmee een verhaal over de buitenwereld anno 2006 vertelt. Vorig jaar maakten we een toneelstuk met ex-vluchtelingen. Een vluchteling uit Bosnië vertelde me toen dat hier in Nederland de zon 500 uur per jaar minder schijnt. En dat je dus op zoek moet gaan naar dat licht. Ik gebruikte die zin in het stuk. Ik liet hem zeggen: "Ga op zoek naar dat licht, ook hier in Nederland.. Het zit overal. Als je maar kijkt, dan vind je het. In muziek, in een vriendelijk woord van de buurman. Of in de ogen van een vrouw die voor jou wil gaan…"
Ik zou nu willen toevoegen: Of in de schilderijen van Adil…
In datzelfde stuk is er een Iranese vluchtelinge die lijdt onder de verkillende relatie met haar kinderen die in Nederland zo anders opgroeien dan ze hoopt.
Haar wanhoop beschrijft ze met de woorden:
"Zeg me- zeg me dan: kan je de zon aan een touw naar de aarde trekken?"
Ik, de buitenstaander, zeg: ja. Adil Elsanoussi, hij trekt in zijn schilderijen de zon aan een touw naar de aarde. En dat vind ik heel grote kunst.