Afscheidsrede
VREEMD GAAN
Door Herman Divendal
Amsterdam, 1998
Op 22 juli 1991 omstreeks één uur in de middag zette de Somaliër Abdinassir Mahmud Ibrahim op Nederlandse bodem. Wie is deze Somaliër, wie is Abdinassir en wat heeft hij hier in Nederland te zoeken? Zijn formele gegevens zijn snel geleverd: Hij is de oudste zoon van een gezin met vijf kinderen, twee zoons en drie dochters. Beroep: docent, curator van een museum, beeldend kunstenaar. Nationaliteit: Somalisch.
Laat ik met dit laatste beginnen, de nationaliteit. Wat is een Somaliër, wat betekent het om Somaliër te zijn? Deze vraag kan ik gemakkelijker stellen, dan beantwoorden. Want hoe moet ik mij, als Nederlander, een beeld vormen wat het is om Somaliër te zijn? Ik ben op de eerste plaats aangewezen op nieuwsberichten. Maar woorden zijn woorden, ze geven mij een indruk, maar verschaffen niet automatisch het erbij passende beeld. Dat weten media ook. Om die reden schuiven er naast de berichten dagelijks foto’s onze brievenbus binnen. Deze foto’s moeten ons het beeld geven van alle gebeurtenissen, waar wij niet zelf bij geweest zijn. Zó ziet de wereld er uit, zó ziet Somalië er uit. Het overheersende beeld vormen toch wel de foto’s van mensen die de hongerdood zijn gestorven, of dat dit niet lang meer op zich zal laten wachten. Zo’n foto kan zelfs een World Press Photo winnen. Zo kreeg de Amerikaanse oorlogsfotograaf James Nachtwey in april 1993 in Amsterdam de prijs voor zijn foto van een Somalische vrouw die het in een doodskleed gewikkelde lijk van haar kind naar zijn graf draagt. Hoe dramatisch deze en andere foto’s ook zijn, toch zijn dit niet de foto’s die mij helpen de vraag te beantwoorden wat het betekent om Somaliër te zijn. 
Twéé foto’s zijn op mijn netvlies blijven branden. Op de ene foto zien wij een half ontklede jonge vrouw, die zich tracht te verweren wanneer zij gemolesteerd wordt door haar eigen landgenoten. Op de andere foto krijgt een jongen van een jaar of twaalf een enorme trap midden op zijn achterwerk van een Amerikaanse militair. Deze twee foto’s samen geven voor mij bij benadering precies de betekenis weer, wat het is om vandaag de dag Somaliër te zijn. Het komt er op neer, dat je er genadeloos van langs krijgt, is het niet door je eigen landgenoten, dan is het wel door je bevrijders.
Abdinassir is zo’n Somaliër. Maar wie is Abdinassir, wat betekent het om Abdinassir te zijn? Op de eerste plaats is Abdinassir oudste zoon in een gezin. Dat is niet niks om oudste zoon te zijn. Dat is het in Nederland niet, dat is het in Somalië ook niet. Als oudste zoon in Somalië ben je de verantwoordelijke voor de toekomst van de familie. Maar is dat in Nederland op een bepaalde manier ook niet het geval? Oudste zoon te zijn mag dan wel zijn specifieke verantwoordelijkheden met zich mee brengen, maar met dat gegeven begin je te leven, ben je nog niet wie je bent.
Voor alles is Abdinassir kunstenaar. Ik weet dat zeker. Ik hoef daar geen kunstgeschiedenis voor gestudeerd te hebben. Ik kan dat met mijn eigen ogen constateren. Als je iets ziet, wat door hem is gemaakt, weet je meteen dat het kunst is. Maar wat heeft een kunstenaar als Abdinassir hier in Nederland te zoeken? Zelf heeft hij, zodra hij in Roosendaal uit de trein was gestapt, te kennen gegeven in eigen land een ‘vervolgde’ kunstenaar te zijn. Op die manier, Abdinassir als vervolgde kunstenaar, heb ik hem leren kennen. De stichting AIDA immers stelt zich ten doel kunstenaars te verdedigen die waar ook ter wereld vervolgd worden vanwege hun werk.
En ik ben de coördinator van deze organisatie. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik op dit moment nauwelijks de verleiding kan weerstaan, om enig inzicht te verschaffen in de aktiviteiten van AIDA op dit gebied. Ik zou U ongetwijfeld overhalen om vandaag nog lid te worden van AIDA, zodat de ondersteuning van vervolgde kunstenaars voortgezet kan worden. Mijn woorden zouden licht propagandistisch van toon zijn. Dat zult u begrijpen. Maar dat nu zou ik zeer ongepast vinden. Propaganda is namelijk het laatste waar ik een kunstenaar als Abdinassir mee lastig moet vallen. Precies het feit, dat hij als kunstenaar stelselmatig weigerde om de heersende propaganda van zijn land een gezicht te geven, werd hem noodlottig en deed hem beslissen, oudste zoon of niet, om zijn land te verlaten.
In Somalië is het beoefenen van beeldende kunst slechts toegestaan voor propagandadoeleinden. Was het niet gebonden aan de regels, die het marxisme van de autoriteiten stelden, dan was het wel gebonden aan die van de godsdienstige islamitische autoriteiten. In beide gevallen geldt de stelregel dat de werkelijkheid op een bepaalde manier getoond moet worden. Maar Abdinassir, de kunstenaar, wil helemaal geen enkele werkelijkheid tonen. Hij, als kunstenaar, stelt zich tot taak om via beelden te tonen, hoe de werkelijkheid van het dagelijkse leven ervaren wordt, gevoeld wordt.
Als geen ander bekommerde Abdinassir zich om wat er met zijn land, om wat er met de wereld gebeurde. Voor hem vormde massaverhuizing, -migratie, en -vlucht dè kenmerkende karakteristiek van de twintigste eeuw. De schattingen van – wereldwijd – het aantal vluchtelingen sinds 1945 variëren van zestig tot honderd miljoen. Abdinassir deelde de mening en de hoop, dat het gevolg van deze massale verhuizing het ontstaan zal betekenen van volledig nieuwe voorbeelden van mensen en volken, die zelf eerder wortelen in ideeën dan in plekken. Dit proces van ontworteling, onthechting en gedaanteverwisseling leidt er wellicht toe, dat wij onvermijdelijk (om met Salman Rushdie te spreken:) "allemaal, zwart, bruin en blank in elkaar overlekken zoals smaken bij het koken." Was dit zijn centrale thema, inspiratie putte hij uit het dagelijkse leven en overleven van de verschillende nomadengroepen in Somalië. Voor Abdinassir is de nomade een persoon, die niet verbonden is aan een gefixeerde plaats. Hij is niet alleen de man/vrouw die zich om praktische redenen verplaatst van het ene naar het andere gebied. Een nomade is een persoon met een houding die hem in staat stelt zich overal thuis te voelen. Hij maakt een geestelijke en emotionele reis waarin hij de eigen bagage aan ideeën en symbolen en leefwijze opnieuw moet omvormen naar de wereld waarin hij zich op dat moment bevindt.
Zijn schilderijen zijn dan ook gevuld met betekenisvolle kleuren en symbolen, waarvan elke enigszins geschoolde marxist zich onmiddellijk zou afvragen: "Kan het niet wat concreter kameraad?". Dergelijke werken, schilderen naar beste weten, het eigen geweten, werd niet in dank afgenomen. Bedreiging, intimidatie, je atelier in puin geslagen, gevangenschap worden je lot. Voor mij, Nederlander, voor ons, is dat nauwelijks te bevatten. Ik zal U een anekdote vertellen: In 1992 vond op de lagere school van mijn dochter Saar van zes jaar een project plaats over Zuid-Afrika, met als slot een markt van door de kinderen gemaakte produkten ten behoeve van een school in Zimbabwe. U begrijpt hoe enthousiast ik was, toen ik vertelde een kunstenaar te kennen, weliswaar uit Somalië, maar toch: uit Afrika, nietwaar? De klassejuf van Saar was enthousiast. Abdinassir kwam tekenles geven. Wie Abdinassir ooit gezien heeft, zal onmiddellijk begrijpen dat alle kinderen vanaf het eerste moment alleen al van hem te zien diep onder de indruk waren. Abdinassir had zo’n speciale ‘kunstenaars-aktentas’ meegenomen. Die aktentas vonden de kinderen welhaast net zo interessant als de kunstwerken die erin verborgen zaten. Toen Abdinassir enkele van zijn gemaakte werken toonde, de één op papier gemaakt, de ander op karton, de één met inkt, de ander met verf samengesteld, vroeg één van de kinderen: "Heb je deze allemaal hier gemaakt, of heb je er ook een paar die je dáár gemaakt hebt?" Dàt was voor Abdinassir hèt geschikte moment om te vertellen, wat er met hem aan de hand was. Dat hij daar ook veel schilderijen had gemaakt, maar dat op een dag allemaal mensen zijn huis binnengekomen waren en al zijn schilderijen kapot hadden getrapt en de schilderijen die niet kapot waren mee hadden genomen. Diepe stilte. Totdat een kind de stilte verbrak. Hij vroeg: "Maar hoe konden ze binnenkomen? Had je de deur dan niet op slot gedaan?" U begrijpt het: het leven van een asielzoekende kunstenaar is verre van aangenaam.
Maar wat voor zin heeft het om als Somaliër, als balling in Nederland, je kunstjes te tonen? Welke betekenis kan het hebben om naar de schilderijen van Abdinassir te kijken? Ik zou dit niet precies kunnen verduidelijken. Ik kan alleen vertellen hoe het verder ging met de tekenles op school. Abdinassir toverde uit de aktentas een enorme stapel van door hem gemaakt werk tevoorschijn. Zijn werk werd aandachtig bestudeerd: de schilderingen gingen stuk voor stuk van hand tot hand, van kind tot kind. Er werd naar gekeken, aan gevoeld en aan geroken. Toen vond de juf het hoog tijd worden, dat de kinderen zelf aan de slag gingen. Zij vroeg aan Abdinassir of hij wellicht de kinderen nog enige instructies wilde geven. Abdinassir antwoordde dat de kinderen volkomen vrij waren om te schilderen wat zij wilden. De vellen papier en de in de haast van straat gehaalde kartonnen dozen werden over de tafeltjes verdeeld. En U zult het moeten geloven: de kwasten en de verf waren nog niet uitgedeeld, of alle kinderen gingen als bezetenen aan de slag.
Zelf deed Abdinassir niet anders. Hoewel hij in het asielzoekerscentrum als ieder ander op bed en brood werd gezet ging hij aan de slag. Kaasprikkertjes werden kwasten. Een potje zwarte inkt vormde zijn kleurpallet. Begin 1992 kreeg Abdinassir een verblijfsvergunning. Vanaf dan is hij geen asielzoeker meer, maar balling. Wat het thema van zijn schilderijen was geweest, is hij nu zelf: een nomade, een balling. Balling zijn is vooral zwart, zwart als overheersende kleur in je leven en in je schilderijen. Toch knalden de kleuren van zijn doeken. De werken van hem vielen op. Hij nam deel aan verschillende belangrijke evenementen, zoals het project van dichters en schilders Het land dat in mij woont. Hij had zoveel plannen en ideeën, dat hij er soms koppijn van kreeg. Althans dat dacht hij. Anderen hielden het er op dat het wel van de ballingschap zou komen. Een balling is nu eenmaal bij vlagen depressief, dat weet iedereen.
In de eerste week van november 1997 kreeg Abdinassir zulke hoofdpijn, dat hij in coma raakte. Met spoed werd hij van Leeuwarden naar het ziekenhuis in Groningen vervoerd. Hij bleek ernstige tbc in zijn hersenen te hebben. Een week later, 10 november 1997, is Abdinassir overleden. Tot de dag van de begrafenis vond een schimmig gevecht plaats tussen de sociale diensten van Groningen en Leeuwarden, wie deze zou betalen. Vrienden om hem heen hielden deze eer aan zich zelf en hebben hem in Leeuwarden begraven. Hij werd 38 jaar.
