David Grossman – Een vrouw op de vlucht voor een bericht
David Grossman
Een vrouw op de vlucht voor een bericht
Vertaald door Ruben Verhasselt
Uitgeverij Cossee
ca.880 blz. | € 36,90
ISBN 978 90 5936 263 5
Een vrouw op de vlucht voor een bericht is een groots verhaal over een vrouw, haar twee zoons en hun verschillende vaders. Een roman over vriendschap, emotie, en ruimhartigheid, over een grote liefde, over versmade liefde en over ouderschap.
‘Ik kom woorden tekort om de invloed te beschrijven die het boek op mij heeft. Deze roman, die je recht in de ogen kijkt, is een van de meer betekenisvolle – en wonderbaarlijke – die ooit in Israël zijn geschreven. De roman is zeldzaam menselijk en vol leven, en bovenal bevat Grossman het verbazingwekkende vermogen gedurende alle 880 bladzijden de menselijkste en heftigste gevoelens van de lezers te wekken. Ik heb het gevoel dat ieder van ons na lezing van dit boek een beetje een ander mens zal zijn.’
- Menachem Peri, Tel Aviv
Fragment
De colonne reeg zich hakkelend aaneen tot een kralensnoer van burgerauto’s, jeeps, legerambulances en diepladers met tanks en enorme bulldozers. Haar taxichauffeur was stil en somber. Zijn hand rustte op de versnellingspook van de Mercedes en zijn dikke nek was bewegingloos. Al minutenlang had hij naar haar noch naar Ofer gekeken.
Ofer had, meteen toen hij in de taxi stapte, tussen zijn lippen door gebriest en met zijn blik tegen haar gezegd: dat was geen al te best idee, mama, uitgerekend hem te bestellen voor zo’n rit. Pas toen had ze beseft wat ze had gedaan. Om zeven uur ’s ochtends had ze Sami gebeld en hem gevraagd te komen en zich voor te bereiden op een lange rit naar het noorden, ergens in de buurt van de berg Gilboa. En nu schoot haar te binnen dat ze om een of andere reden niet specifieker was geweest en dat ze hem anders dan gebruikelijk het doel van de rit niet had uitgelegd. Sami had gevraagd hoe laat ze hem wilde hebben en na een korte aarzeling had ze hem laten weten: ‘Kom maar om drie uur,’ waarop hij had gezegd: ‘Ora, misschien kunnen we beter vroeger vertrekken, want het wordt een rotzooitje op de wegen.’ Dat was zijn enige opmerking geweest over de waanzinnige toestand die vandaag heerste, maar zelfs toen had ze het niet begrepen en had alleen maar gezegd dat ze met geen mogelijkheid voor drieën kon vertrekken. Ze wilde de uren daarvoor met Ofer doorbrengen, en Ofer had erin toegestemd. Ze had gezien hoeveel inspanning het hem had gekost haar haar zin te geven. Zeven, acht uurtjes, dat was alles wat was overgebleven van de week vakantie die ze voor hem en zichzelf had gepland, en nu drong tot haar door dat ze Sami door de telefoon zelfs niet had gezegd dat Ofer ook zou meerijden. Als ze dat wel had gedaan, had hij haar misschien gevraagd hem vandaag voor één keer vrij te stellen, of hij had een van de Joodse chauffeurs gestuurd die bij hem werkten – ‘mijn Joodse sector’, noemde hij die –, maar toen ze hem vanochtend belde, was ze al volkomen de kluts kwijt geweest en had er gewoon niet aan gedacht – met de minuut nam de benauwdheid in haar borstkas toe – dat je voor zo’n rit, op een dag als deze, beter geen Arabische chauffeur kon nemen.
