Interview door Truus Groenewegen
De verbeelding laat bomen groeien uit zaden van brons
Door Truus Groenewegen
De Georgische beeldhouwer Ramaz Goiati werkte voornamelijk figuratief toen hij ruim tien jaar geleden naar Nederland kwam. De klassiek geschoolde kunstenaar kwam hier in aanraking met conceptuele kunst. Dat bracht hem op een lastig punt in zijn ontwikkeling. Conceptueel werken en beeldhouwen sluiten elkaar uit. Of niet? “Het is moeilijk uit te leggen. Het concept is streng. Zodra je gaat werken aan de vorm verdwijnt het idee dat je wilt overbrengen. Ik wil nu beide loslaten, het boetseren en het conceptuele, en een nieuwe balans vinden.”
“Toen ik klein was, kon ik uren achter elkaar tekenen. Soms was ik zo verdiept in wat ik deed dat ik het eten vergat”, vertelt Ramaz Goiati (1966) over de oorsprong van zijn liefde voor kunst. Kunstenaars noch ambachtslieden kwamen in zijn familie voor. Zijn beide ouders werkten als arbeider, de een bij de spoorwegen, de ander in een gasfabriek. Hun kinderen, een dochter en twee zonen, werden respectievelijk arts, econoom en kunstenaar. Goiati’s talent werd al vroeg herkend. De juffrouw van de kleuterschool organiseerde een expositie van zijn werk en op haar aandringen stuurden zijn ouders hem naar de kunstschool. Dat was een lagere school waar, naast het gewone programma, veel werd gedaan aan tekenen en boetseren. “Op die school heb ik veel stimulans gekregen, veel informatie en opdrachten zoals stillevens tekenen. Tot dan toe tekende ik na uit boeken, dieren, bloemen, de dingen waar kinderen van houden. Ook herinner ik mij nog goed het eerste object van was dat ik maakte, een wolf. Helaas weet ik niet waar die gebleven is.”
De onstuitbare drift om te tekenen manifesteerde zich opnieuw toen Ramaz Goiati in 1994 in een Nederlands asielzoekerscentrum terechtkwam. Na het doorlopen van de school in zijn geboorteplaats Roestavi was hij naar de Georgische hoofdstad Tblisi getrokken, waar hij twee kunstopleidingen volgde, het Technasium en later de kunstacademie. De jaren daarna gaf hij les en maakte klassieke beelden, met als grote voorbeelden de kunst van de oude Grieken en Romeinen, en ook wel de Azteken. Ondertussen kreeg hij, behorend tot de kleine Osetische minderheid, steeds meer moeilijkheden door de toenemende politieke spanningen in zijn land. De dag nadat zijn atelier in brand werd gestoken, besloot hij Georgie te ontvluchten. Aangekomen in Nederland was hij in de eerste plaats asielzoeker en mocht hij, net als andere vluchtelingen, niet werken. Maar Goiati tekende wanneer hij maar kon. “Energie”, verklaart hij het feit dat de kunst hem niet losliet in een situatie, die op veel mensen een verlammende uitwerking heeft. “Je moet iets realiseren. Volgens mij krijgen de meeste mensen inspiratie door pijn. Iemand die happy is, voelt niets meer. Door stress gaat je hoofd open.” Pijn als drijvende kracht. Om dat op een andere manier te illustreren, laat Goiati later in het gesprek twee in brons uitgevoerde ovalen met uitlopers zien, ontkiemende zaden. “Ik wilde heel graag een groot werk maken, maar dat was onmogelijk. Dat was mijn frustratie. Dit was mijn oplossing. Door de verbeelding kunnen uit die zaden bomen groeien.” Een tekenleraar die werkte als vrijwilliger in het AZC, zag de waarde van Goiati’s werk. Hij kreeg zijn eerste exposite en maakte in opdracht een bevrijdingsmonument voor Valkenswaard.
Tegenwoordig woont hij met zijn vrouw, kunstenaar Tamar Roozenbladt, en hun twee jonge zoons in de Amsterdamse Bijlmer. Zijn huidige atelier is een ruime schuur met golfplatendak, achter een boerderij, middenin een van de weinige onaangetaste polders onder Amsterdam. De ene kant biedt zicht op de skyline van de stad, de andere op het silhouet van een oude dorpskerk, omgeven door enkele huizen, door bomen. De roep van grutto’s en ander vogels klinkt over de weilanden. ‘Een paradijselijke plek’, noemt Goiati het. Al wordt hij er ook wel eens gek van de stilte en vooral van de kou in de winter. In een hoek van zijn atelier heeft hij een klein kantoortje getimmerd, waar hij die kou kan ontvluchten en kan uitrusten. Een lage stellingkast bergt twee planken vol boeken. Goiati laat foto’s zien van het werk van kunstenaars die belangrijke inspiratiebronnen voor hem zijn: Brancusi, Isamu Noguchi, David Rabinowitch. In hun werk is onder meer de beweging te zien van een figuratieve naar een abstracte, naar een minimalistische beeldhouwkunst. “In elk van hen manifesteerde zich een bepaalde energie”, licht Goiati zijn visie toe. “De ene kunstenaar gaat verder waar de vorige is opgehouden.” Een collega voor wie hij daarom op dit moment veel belangstelling heeft, is de Duitse beeldhouwer Ulrich Rückriem. “Je ondergaat de invloed van de kunstenaars die het dichtst bij je staan qua ontwikkeling. Je kunt niet in één keer naar het postmoderne springen. Van Brancusi had ik bijvoorbeeld al boeken in mijn atelier in Tblisi, maar toen begreep ik zijn werk niet.”
Nieuwe wegen vinden
Ramaz Goiati werkt in steen, brons en hout. Langs de wanden van zijn werkruimte staan donkergrijze vierkante sokkels met beelden die hij de afgelopen tijd maakte. Van een volmaakt gepolijst bronzen paard tot ruwer, abstracter werk. Zijn meest recente serie bestaat weer voornamelijk uit paarden, uitgevoerd in eenvoudige geometrische vormen van spaarzaam beschilderd hout. In een hoek van het atelier staat op de ruwe betonnen vloer een bijzondere verzameling bij elkaar: een bijl waaruit twijgen groeien, boomstammen waarop de bovenkanten van zuurstofflessen zijn bevestigd (“die had ik in de tentoonstelling bij elkaar gezet als een familieportret”) en twee geboetseerde koppen in een vogelkooi. “Dat is werk van mijn beste expositie tot nu toe. Ik kon in die galerie alles doen wat ik wilde. Boven deze stenen zaden heb ik in de muur een gieter van wel drie meter uitgehakt. Er kwam zoveel stof vrij dat de brandweer kwam kijken wat er aan de hand was.”
Dit conceptuele werk was de vrucht van een zoektocht die pas goed op gang kwam, toen hij na een lange, moeizame strijd zijn verblijfsvergunning kreeg. Door te experimenten heeft hij het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. Wie veel afwijkt van de stijl die mensen van hem kennen, moet een nieuw publiek vinden. Goiati had de eerste jaren in Nederland al gauw succes met het meer traditionele werk dat hij maakte. Tien à twaalf exposities per jaar. Toch gaf hem dat steeds minder voldoening. “De traditie heeft me geholpen om verder te komen. Wat ik heb geleerd in Georgie was een goed fundament, maar het figuratieve wordt op een gegeven moment een beetje saai.” Hij zocht nieuwe wegen, stelde zich open voor andere invloeden. “Hier in Nederland kwam veel informatie op me af, in exposities, via de televisie, uit de maatschappij. Ik onderga invloeden van andere kunstenaars, probeer hun werk te begrijpen, niet alleen beeldhouwkunst, ook installaties, videokunst. Ik wil me verder ontwikkelen, kunstenaar zijn in deze tijd en bij deze samenleving horen.”
Twee konijnen tegelijk schieten
“Mensen denken dat kunstenaars vrij zijn, maar wanneer het werk vordert, dwingt dat je in een bepaalde richting door te gaan en kan je geen stappen opzij zetten”, zegt Goiati, terwijl hij zijn handen langs de zijkanten van zijn hoofd legt: “Als een paard met oogkleppen op.” Naarmate je dieper graaft, wordt het moeilijker, merkt hij. “Studenten die net beginnen zijn kinderlijk blij dat ze kunstenaar zijn, maar als je verder zoekt, probeert te begrijpen, is het alsof je in de modder terechtkomt. Ik sta nu op een punt waar ik moet kiezen. Ga ik in één richting verder, dus met beeldhouwen óf met conceptueel werk, of kan ik die twee samenbrengen. Dat laatste is zoiets als twee konijnen tegelijk proberen te schieten. En toch wil ik het proberen. Mooie vormen zijn niet het enige. Als beeldhouwer ben je met vorm bezig, boetseren doe je vanuit je hart, je stijl telt, de hand van de maker. Als conceptueel kunstenaar breng je rechtstreeks een idee tot uitdrukking. Vorm en concept verdragen elkaar niet. Nu haal ik de mooie effecten weg, maak het beeld steeds eenvoudiger, zodat je Ramaz niet ziet. Begrijp je niets meer van wat ik zeg? Dan is het goed.”
