Expositie Osagie Edomwandagbon
De verbeelding van de vrijheid
expositie Osagie Edomwandagbon
15 mei – 19 juni 2011
Galerie 23, KNSMlaan 307-309, Amsterdam
“Een schilderij is niet een bouwsel van kleuren en lijnen, maar een dier, een nacht, een schreeuw, een mens, of dat alles samen.”
Ik moet aan deze uitspraak van de Nederlandse cobraïst Constant denken als ik de schilderijen en tekeningen van de Nigeriaan Osagie Edomwandagbon voor het eerst zie. Daar spreekt eenzelfde soort energie uit als uit de ‘Vrijheidsschreeuw’, het schilderij van Karel Appel dat als exemplarisch wordt beschouwd voor de COBRA beweging, de beweging die in de jaren vijftig van de vorige eeuw actief is. Een haast kinderlijk enthousiasme om aan iets nieuws te beginnen en de beklemming van het verleden achter je te laten.
Osagie (zijn achternaam wordt vaak weggelaten of verkort tot Edo) is in 1966 in Nigeria geboren, in het jaar waarin er twee militaire coups het land ontregelen. Op de School of Art and Design In Auchi studeert hij grafiek. Daar ontpopt zich zijn engagement. Hij gaat er deelnemen aan protesten tegen het toenmalige regiem (in 1984 en 1985 zijn er opnieuw gewelddadige machtsovernames). Daarmee brengt hij zichzelf in een risicovolle positie. Vele studenten worden opgepakt en ‘verdwijnen’. Osagie besluit zijn vaderland te ontvluchten. Hij komt in 1988 in Rotterdam terecht. Niet uit vrije keuze, maar bij toeval. In het begin verblijft hij met een aantal ‘collega’s’ in de Kruiskerk daar, het deprimerende lot van veel asielzoekers in die tijd. Na een verblijf in een asielzoekerscentrum in Goes, verhuist hij naar Workum, dan naar Groningen en uiteindelijk belandt hij in Enschede, de stad waarin hij in relatieve rust aan zijn carrière als kunstenaar kan werken.
Met een dergelijk beladen verleden is het enerzijds begrijpelijk dat hij zich nog steeds het lot van veel Afrikanen aantrekt – bij de vieringen rondom de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van Kongo bijvoorbeeld roert hij zich op zijn blog – anderzijds is het logisch dat hij zich in zijn werk probeert te bevrijden. Soms komt zijn beeldtaal daarbij dicht bij die van Karel Appel en zijn Belgische en Deense vrienden – de vrolijke, contrasterende kleuren, de vertekende figuratie, de liefde voor de materialiteit van verf – soms lijkt hij ook inhoudelijk aan COBRA te ontlenen: bijvoorbeeld het veelvuldig verbeelden van dieren (vooral vogels) en van fantasiewezens.
Toch zou ik Osagie tekort doen als ik hem zou afdoen als een navolger van. Zijn Afrikaanse roots maken hem namelijk een natuurlijke verteller die zich uitleeft in zijn aangeboren fantasieën, die zich trouw toont aan het culturele en mythische erfgoed dat veel Afrikaanse kunstenaars een schier onuitputtelijke inspiratiebron verschaft en die de volkskunst een stukje naar het heden weet te trekken. Bovendien laat hij zich minder beperken door een concept en door een beeldtaal die zich aan bepaalde regels houdt. Hij gaat vaker los en eigent zich een groter speelveld toe dan zijn illustere voorgangers. In ‘I can fly’ uit 2010 bijvoorbeeld toont hij zich een humoristische vertaler van traditionele symbolen: niet alleen de vogel symboliseert de vrijheid, maar ook het mobieltje. In ‘De geest van het verleden’ uit datzelfde jaar zet hij eveneens het heden tegenover het verleden, waarmee hij naar mijn idee impliciet de verworvenheden van zijn eigen tijd prijst. Uit ‘What about you’ (2010) spreekt zijn voorliefde voor ongebreidelde details in alle kleuren van de niet-westerse regenboog. Hij dwingt de kijker in een intensief kijkproces, omdat hem anders teveel elementen en aspecten ontgaan. Daarbij vergeleken is de beeldtaal van de doorsnee cobraïst haast elementair te noemen.
Deze presentatie van ruim twintig werken is zijn eerste in Amsterdam. De kwaliteit van zijn werk verdient het dat het niet de laatste zal zijn.
Tekst door Rob Perrée (Amsterdam, april 2011).
Meer informatie Galerie 23.
