Eerste liefde – Judith Koelemeijer

Eerste liefde

Door Judith Koelemeijer

Acht talen worden er gesproken door de kunstenaars die op deze zondagmiddag bij elkaar zitten in een klein, warm zaaltje van het museum Beelden aan Zee. Servo-Kroatisch, Azeri, Syrisch, Farsi, Frans, Georgisch, Spaans… Acht talen, acht werelden, bij elkaar gebracht aan één tafel, waar zij in een mengeling van Nederlands en Engels het antwoord proberen te vinden op één vraag: wat is in deze tijd nog het belang van een organisatie als AIDA? 

Alle kunstenaars kwamen ooit als vluchteling naar Nederland, en werden door AIDA ondersteund. Voor velen aan tafel is dat al lang geleden, vaak zeker vijftien jaar. Toch praten zij over die roerige beginperiode alsof het gisteren was – en herinneren zij zich AIDA als hun eerste grote liefde in een vreemd en kil land.

‘Als gevluchte kunstenaar ben je aanvankelijk niemand’, zegt een Afghaanse vrouw. ‘Je hebt geen status meer, geen werk – je hebt alles achter je gelaten. Je bent als een kind dat bij de hand moet worden genomen en opnieuw moet leren lopen. En dan is het zo belangrijk dat er een organisatie als AIDA is die dat begrijpt, en die zegt: kijk, dat is de weg, daar moet je heen, want ik weet wie jij bent.’

Ik moet denken aan wat de schrijver en Nobelprijswinnaar Ivo Andric ooit zei. Kunstenaars roepen per definitie achterdocht op, meende hij. Want wat spoken zij toch uit, in hun ateliers, hun werkkamers en repetitieruimtes? Hoe komen zij aan de kost? Kunstenaars raken eraan gewend zichzelf te verdedigen. Gevluchte kunstenaars zijn wat dat betreft dubbel verdacht – en zullen zichzelf nog veel vaker moeten uitleggen. Want is het wel waar dat zij in hun eigen land beroemd waren, nu wij de schilderijen of films niet kunnen zien die zij bij hun vlucht achterlieten, nu wij de vreemde talen in hun boeken en gedichtenbundels niet kunnen lezen?

‘Als ik in Iran  over straat liep, vroegen de mensen om mijn handtekening’, vertelt een Iraanse actrice met vlammende ogen. ‘In Nederland moest ik bij nul beginnen. Een gevluchte kunstenaar of artiest heeft in principe dezelfde mogelijkheden  als iedere Nederlandse kunstenaar of artiest. Maar je blijft ánders – al wordt dat niet door iedereen ingezien.’

Ik begrijp wat zij zegt. Ik leef zelf met een man die ‘anders’  is. Hij is filmmaker, en kwam in 1994 vanuit Sarajevo naar Nederland. Ik heb gezien hoeveel tijd en strijd het kost om jezelf opnieuw uit te vinden, in een ander land, een andere cultuur, een andere taal. En wat het betekent wanneer je als kunstenaar niet mag werken – omdat vluchtelingen nu eenmaal moeten wachten, eindeloos wachten op een verblijfsstatus. Meer dan wie ook, ís een kunstenaar zijn werk. Als hij niet werkt, weet hij niet meer wie hij is.

‘Je kunt toch ook als filmoperator aan de slag gaan?’, riep ik in mijn wanhoop soms uit, wanneer ik zag hoezeer het niet-werken hem terneer drukte. ‘Een zwart baantje ergens, zodat je iets om handen hebt?’

Ik wilde niet dat mijn man anders was. Steeds weer moest ik hem tegenover familieleden of vrienden verdedigen. Ook ik werd geraakt door de diep gewortelde achterdocht waar Andric over sprak. ‘Als ik films ga draaien in een bioscoop, word ik nooit meer wie ik was’, zei mijn man.          

Het was AIDA, die hem weer hoop gaf. Want AIDA kende niet alleen de wegen, maar ook de omwegen, en wat eerst niet kon, kon nu wel. Mijn man ging een workshop geven. Hij maakte via AIDA een korte film voor televisie. Ineens lagen er overal briefjes met aantekeningen in huis, als het tastbare bewijs van de nieuwe inspiratie en zin. Nachtenlang zaten we samen achter de computer om een Nederlandstalig scenario te schrijven, bekvechtend over de juiste woorden.

I didn’t mean that in Serbokroatian!
Yes, but You can’t say that in Dutch!
Which language is that in which you don’t have that word?!

Toch gingen we ’s ochtends tevreden slapen. Mijn man hoefde niet langer tegen de leegte te strijden. Hij vocht nu met zijn werk. Hij herkende weer wie hij was.

Dat was meer dan tien jaar geleden. Mijn man heeft AIDA allang niet meer nodig, al hield de organisatie altijd een speciale plaats in zijn hart. Net als de meeste kunstenaars en artiesten die deze middag aan tafel zitten trouwens. Zij zijn uitgevlogen, zij staan op eigen benen.

‘Maar AIDA was en blijft mijn eerste huis’, zegt een beeldend kunstenaar uit Azerbeidjan.
‘En zolang er vluchtelingen blijven komen, zal er behoefte blijven aan zo’n huis’, zegt een ander, die uit Chili komt.
‘Bij AIDA spreekt iedereen dezelfde taal’, meent de Iraanse actrice – en dat wordt in acht talen beaamd.

Wat niet betekent dat de buitenwereld AIDA altijd verstaat. Want ook AIDA, als podium van gevluchte kunstenaars, zal zich steeds moeten blijven verdedigen tegen Andric’ stemmen van achterdocht uit de samenleving en de politiek.
In deze dagen misschien nog wel meer dan ooit.

 Judith Koelemeijer is auteur van de non-fictie boeken ‘Het zwijgen van Maria Zachea’ en ‘Anna Boom’. Zij leeft samen met de filmmaker Vuk Janic, regisseur van onder meer ‘Het laatste Joegoslavische Elftal’, ‘Eindspel’ en ‘Meester Ben’.

Deze column is geschreven naar aanleiding van de bijeenkomst die AIDA op 30 januari 2011 organiseerde voor al haar kunstenaars en artiesten in museum Beelden aan Zee in Scheveningen. Tijdens de druk bezochte bijeenkomst werd gedebatteerd over de toekomst van AIDA. Als gevolg van een bureaucratische dwaling ontvangt AIDA in 2011 geen subsidie. De recent aangekondigde bezuinigingsplannen van  Staatssecretaris Zijlstra bieden weinig hoop voor de toekomst van AIDA.